28jul2014
 

Het wonderbaarlijkste aan Theo was zijn ongelofelijke zachtaardigheid in combinatie met zijn imposante postuur. Het enige moment, ja, werkelijk het enige, dat je je zou kunnen ergeren was wanneer hij pontificaal in de doelmond stond van het kleine, stalen zaalvoetbaldoeltje. Dan was er geen doorkomen aan. Wanneer hij de bal had veroverd bleek hij te beschikken over een verfijnde techniek en een sleepbeweging waarmee hij menig tegenstander in de luren legde. En soms ook zichzelf. Ik legde het vaak tegen hem af. Het is misschien daarom dat ik de enige triomf die ik in het zaalvoetbalteam – we spelen elke dinsdagavond in de gymzaal van het Montessorilyceum aan de Ruysdaelkade – op hem behaalde koester. En nu nog meer, als een dierbare herinnering.

Theo stond in het midden van de zaal. Het was uit een afgeslagen aanval dat ik de bal wist te bemachtigen. Ik zag hem staan. Achter hem een leeg veld en dat kleine zaalvoetbaldoeltje. In een fractie van een seconde besloot ik de bal over hem heen te lobben. De bal vertrok van mijn voet. Theo keek mij aan. Een grimas op zijn gezicht. Hij zag de bal in zijn opwaartse beweging en maakte een sprongetje. De bal gleed net over zijn kale kruin, stuiterde twee keer en belandde in het doel. Theo leek even in de lucht te blijven hangen. Ik zag zijn verbaasde blik. Toen hij met zijn schoenmaat zesenveertig weer op de aarde was beland – als het maanvehikel dat zacht verend op de maanbodem terechtkwam – verscheen er een glimlach om zijn mond. Hij liep naar mij toe en sloeg een arm om mij heen. Zo was Theo. Waar wij, gewone zielen, als herboren 21e-eeuwse Archie Bunkers voor en na de wedstrijd in de kleedkamer boude uitspraken deden over de wereld en over vrouwen en ja, waarover niet eigenlijk, glimlachte hij, trok hij hoogstens af en toe een wenkbrauw op of hij keek je aan met een verwonderde blik.

Ja, zo was hij. En zo was hij vermoedelijk ook als jeugdcoach. Wanneer ik op zaterdagen de Taba velden betrad, zag ik hem vaak staan. Ik zwaaide, hij glimlachte. Een grote, lieve reus met zijn team en zijn zoon aan zijn voeten. Behept met die bijzondere zachtaardigheid waar je soms opstandig, maar meestal nederig van werd.

John Albert Jansen

574