20mrt2010
 
Afscheid Corazón

Taba Treffer
2007/2008 en 2008/2009

Column
Voetbal & Seks

door
Rolando de Corazón

Nummer 194
Camping El Forcallo

Kijk, een vallende ster!” roept Freek. Arthur, Juud, Simone en Corazón volgen de richting van zijn wijzende vinger maar zijn te laat. “Nu mag je een wens doen, Freek!” zegt Simone. Even is het stil en ondergaan ze de sterrenpracht ten volle. “Vreemd is dat,” zegt Corazón, “ik kreeg zojuist opeens de aandrang om te zeggen dat ik volgend seizoen ophoud met voetballen, hoe zal dat nou komen?.” Niemand reageert. Uit de tenten waar zojuist de kinderen te slapen zijn gelegd klinkt gezellig geklets. Arthur vult nogmaals de wijnglazen bij. De avond lijkt te verglijden. De beide dames zijn nog vermoeid van de lange autorit met de kinderen. Dan vraagt Juud: “Jongens, hoe was eigenlijk het wandelen?” Het was een geweldige tocht.

Vanuit deze zelfde camping waren de drie mannen op weg gegaan. De ochtend was helder maar koud. Toch gingen de truien al spoedig uit bij het bestijgen van de Puerto de Gistaín. Daar boven nuttigden ze de eerste lunch in de vrije natuur: brood, kaas, worst en appels. Daarna de gemakkelijke afdaling naar refugio Estós. Een slaapzaal vol ronkende, stinkende berglopers. De tweede dag was nog mooier. Eerst door een bos langs de hoogtelijn om vervolgens steil te stijgen tot boven de boomgrens. Rotsen. IJskoude meertjes. Riviertjes. De Collado de la Piana. Bij afdalen riep Corazón opeens: “Jongens, we hebben bereik!” Even later stonden de drie woeste bergbeklimmers op een rijtje tegen de berghelling geplakt, elk met het mobieltje tegen het oor. Contact! En naar beneden ging het, naar refugio Ángel Orús, waar de douches warm zijn. Dan de derde dag. Er werd onderweg geweifeld. Moet de Pico de Posets niet bedwongen worden? Dan moet er hier naar boven worden afgeslagen. Met een verrekijkertje bekeken ze de besneeuwde helling van deze machtige berg en zagen ze hoe andere berglopers ondanks hun sneeuwschoenen en stokken moeite hadden om naar boven te komen. “Een top is niet om heen te lopen maar om van een afstandje naar te kijken,” besloten ze.

En het werd nog mooi zat. Een smalle vallei met smeltende sneeuwhellingen boven een rimpelloos bergmeer. De moeilijke bestijging van de Collado de Eriste. Daar, op het hoogste punt van de wandeling, een lange rustpauze vol contemplatie en bewondering. En daarna de lange afdaling terug naar de camping. De beide dames zijn zichtbaar onder de indruk van dit spannende avontuur. Vergeten is de vermoeidheid. “Morgen gaan wij ook wandelen, hoor!” roepen ze enthousiast. “Tuurlijk!” zegt Arthur. “Ze kunnen die dagtocht wel doen die wij gisteren deden, die met die steenarenden, die was mooi, hè Corazón?” zegt Freek. Ze kijken allemaal naar Corazón. Maar die reageert niet. Die is al op reis. Overmorgen met bus van Ainsa naar Barbastro. Daar overstappen op de bus naar Monzón. En dan hopen dat er nog een plaatsje is in de nachttrein. De nachttrein naar Ponferrada.


Nummer 195
Cultuuromslag

Ik vond het wat rommelig gaan, vandaag,” zegt Anton. Arthur en Corazón staren zwijgend naar hun lege bierflesjes op de toog. Van achter hen klinkt het gezellige geroezemoes van de jongens van TABA 4 van wie ze net zo dramatisch verloren hebben. “Nog een pilsje dan maar?” vraagt Corazón. Zonder het antwoord af te wachten steekt hij drie vingers op in de richting van Werner. “We moeten nog een beetje zoeken naar de nieuwe spelpatronen, zo met al die nieuwe spelers,” zegt Arthur terwijl Werner de verse flesjes voor hun neus zet. “En we misten onze spelverdelers Freek en Koen,” vult Anton aan. “En onze spits Pieter,” zegt Corazón snel. Zelf was hij die middag de midmid geweest. Dan komt Milton bij hen zitten. “Ik heb het laatste stuk van de wedstrijd gezien; jullie hadden echt het beste van het spel, hoor” “Maar Milton, we hebben met 3-0 verloren!” roept Corazón wanhopig. “En waarom was jij er eigenlijk niet; je zou toch meedoen?” vraagt Arthur. “Ja, ik was al bij de poort, maar toen vroeg het eerste me of ik bij hen wou komen vlaggen en dat heb ik toen maar gedaan,” antwoordt Milton.

Vol ongeloof staren de anderen hem aan. Met een brede glimlach komt Pieter de kantine binnen en loopt naar het viertal toe. “Pieter, hoe ging het bij het eerste?” vraagt Corazón. “Euh, nou, ik speel natuurlijk liever met jullie, vanzelfsprekend, maar het ging best goed, hoor,” antwoordt Pieter om vervolgens te vragen: “Komen die jonge jongens nu eigenlijk voortaan bij ons spelen?” “Voorlopig in elk geval wel,” antwoordt Corazón, “het vriendenteamcultuurtje moet maar eens doorbroken worden nu er steeds meer A-spelers naar de senioren doorstromen.” “Wel vreemd dat dat nu juist vanuit ons team gaat gebeuren, terwijl wij toch het vriendenteam bij uitstek zijn,” zegt Anton.

Pieter reageert enthousiast. “Sociaal-politieke doorbraken worden vaak geïmplementeerd door actoren waarvan je het minst verwacht, omdat deze bij uitstek een brede consensus kunnen creëren over de te nemen maatregelen. Neem bijvoorbeeld Nixon die de verzoeningspolitiek met China in gang heeft gezet.” “Een hele geruststelling, we zijn in elk geval niet de enigen,” zegt Arthur. “Willen jullie nog een biertje om jullie verdriet weg te spoelen?” Wil van TABA 4 slaagt er in deze vraag te stellen zonder enig spoor van cynisme in zijn stem. Werner zet de pilsjes op de toog. “Die jonge jongens van jullie waren goed; een verrijking van jullie team,” zegt Wil. De anderen beamen het. Ze proosten. “Op het begin van het seizoen!” roepen ze.


Nummer 196
Alweer gewonnen

Eindelijk had de aanvoerder van Jos Watergraafsmeer het wedstrijdformulier ingevuld. Corazón keek nog even of alles klopte. Ja hoor, het stond er echt. Een knappe 3-1 overwinning voor TABA. Met een rappe scheurbeweging scheidde hij het origineel van de kopie, liet het origineel achter bovenop het stapeltje overige wedstrijdformulieren van die zaterdag en liep naar buiten, waar zijn teamgenoten met biertjes in de hand druk aan het praten waren. De stemming zat er goed in. Het was een fijne wedstrijd geweest. Even dacht Corazón terug aan het moment dat hij dat doelpunt scoorde. Een intikker, dat wel. Maar je moet er toch maar weer staan. “Nou, Corazón, ik weet al één nominatie voor het wedstrijdformulier,” had Arthur vanaf de zijkant geroepen. Zijn grensrechtervlag wees hij op wie hij doelde. “Da’s lang geleden,” dacht Corazón, “dat ik mijzelf het wedstrijdformulier heb gegeven. Maar inderdaad, ik sta lekker te spelen.” “Jongens, het grote moment is aangebroken. Wie krijgt er vandaag het wedstrijdformulier?

Na deze woorden van Corazón verstomden de gesprekken onmiddellijk. Na een mooie overwinning wil iedereen wel de man van de wedstrijd zijn. Even aarzelde Corazón. Wie moest hij in godsnaam nog meer nomineren. De nieuwe jeugdige spelers hadden goed werk verricht. En dat doelpunt van Pieter mocht er wezen; wat een schot zeg. En wat had Freek nou ook alweer tijdens het douchen gezegd? “Volgens mij is er geen twijfel mogelijk over wie het vandaag gaat worden, Corazón.” Corazón had toen zijn meest bescheiden gezicht opgezet. “Oh ja, Freek?” “Ja, Anton was vandaag fantastisch!” Even dacht Corazón aan een grap. Maar nee, Freek was bloedserieus. En een voetbalkenner. En inderdaad. Het was Anton die als laatste man de verdediging had neergezet. Steeds rugdekking had gegeven. Doorgebroken tegenstanders elke kans had ontnomen.

Ik nomineer de jonge Danny vanwege zijn inzet en Pieter vanwege zijn heerlijke doelpunt en ik nomineer Anton vanwege zijn organisatorische kwaliteiten,” vervolgde Corazón met luide stem. Nu moest het moment toch komen dat iemand het woord over zou nemen. “Geen gekkigheid Corazón; er is er maar één die vandaag in aanmerking komt; dat weet je maar al te goed.” Even keek Corazón wanhopig naar Arthur. Maar nee, niks. “En ik nomineer mezelf,” vervolgde hij zacht. Nog even keek hij de andere spelers aan. Geen reactie. “Nu even huichelen,” dacht Corazón. “En het wordt ….Anton!” riep hij enthousiast. Gejuich weerklonk. Met een vanzelfsprekend gebaar nam Anton het wedstrijdformulier in ontvangst en begon aan zijn van tevoren ingestudeerde speech.


Nummer 197
Danny

Verleden jaar deed hij al eens een paar wedstrijden met ons mee. Danny. Toen al gold hij als een aanwinst. Snel. Goed schot. Mooie voorzet. En hij durfde zich ook behoorlijk te uiten in dit zoveel oudere team. Soms verstonden we hem niet. De straattaal van de moderne jeugd. Vol Marokkaanse en Surinaamse leenwoorden. Dan trad de jonge Bastiaan als tolk op. “Hij baalt er enorm van dat we weer verloren hebben, weet je wel,” legde de jonge Bastiaan ons in voor ons begrijpelijke taal uit. Ja, dat begrepen we wel. We knikten instemmend. En we dronken proostend onze biertjes. Vol onbegrip keek Danny ons aan. Hij raakte geblesseerd tijdens een van zijn karakteristieke acties. Een snelle rush achter een diepe voorzet aan. De keeper zag de bui al hangen en raakte hem hard. Ondersteund door twee medespelers verliet Danny hinkend het veld. We verloren de wedstrijd, vanzelfsprekend. En we verloren Danny.

De rest van het seizoen werd elke hopeloze diepe voorzet op één van onze amechtige spitsen een als-danny, genoemd. We zagen hem af en toe nog terug in de kantine van TABA. Dan wees hij ons steeds weer nieuwe blessures aan. Tot eind vorig seizoen. Bij het Ossie Fawaka speelde hij met ons mee. Met zijn vriend Ricardo. Samen wilden ze zich graag bij het team voegen. Het is zaterdag 14 oktober 2007. Danny zit mokkend langs de zijlijn. Reserve. En dat terwijl er bij TABA helemaal geen aanvallers in het veld staan. Wat is dat voor regel dat de eerste elf die komen altijd in de basis beginnen? Zeker weer van die Corazón. Die is er altijd twee uur van tevoren. En die heeft een fiets. Kijk nou! Staat Ricardo weer buitenspel. Is ook geen spits. “He opletten, man, da’s al de derde keer!” galmt zijn stem over Drieburg.

Dan gaat hij eindelijk het veld in. Een aanvals­combinatie mislukt. Hij vertelt Pieter hoe hij de bal had willen hebben. “Hé, Danny, hou nou eens op, man,” roept Corazón. Verontwaardigd keert Danny zich om. “Zo hoeft het voor mij niet meer!” roept hij. En hij verlaat het veld. Het loopt al tegen zevenen. De spelers van TABA staan buiten voor de kantine. Schitterend herfstweer. De verloren wedstrijd lijkt vergeten. Er wordt gepraat. Er wordt gelachen. Danny staat er ontspannen bij. Voert het hoogste woord. Corazón ziet het vanuit de deuropening met een vaderlijke glimlach aan. Het komt allemaal wel weer goed.


Nummer 198
Hennie

Het was halverwege de eerste helft dat Hennie het veld inkwam. Een mooi moment, al zullen weinigen dat hebben beseft. De tegenstanders vanwege hun algehele onwetendheid. De TABA-spelers vanwege hun volledige concentratie op de bal. Misschien dat een overvliegende meeuw, op zoek naar voedsel in de stad nu het najaar zijn intrede had gedaan, even een moment van herkenning had en onwillekeurig een duikvlucht inzette op Hennies kielzog zoals hij dat verleden week nog had gedaan op het IJsselmeer. Hennie komt het veld in. Vanavond kan de verwarming aan en eten we stamppot met worst. Hennie komt het veld in. Een ramp voor de nationale zeilsport, maar een zegen voor het voetbal. En daarom, Hennie, goede vriend, geef ik jou bij deze het wedstrijd­formulier.”

Na deze schitterende woorden is het even stil in de kantine van De Meer. Dan breekt er een ovationeel applaus los waarbij sommigen het niet kunnen laten af en toe “bravo!” te roepen. Geëmotioneerd neemt Hennie het papier in ontvangst en maakt met zijn lichaamshouding duidelijk dat hij gaat spreken. Het applaus sterft weg tot het enige geluid het verschuiven van een stoel is omdat iemand dichter bij de spreker wenst te komen. “Beste vrienden,” begint Hennie. Enkelen beginnen alweer te klappen maar worden door anderen met sisgeluiden gemaand hiermee op te houden. Onverstoorbaar gaat Hennie verder. “Toen ik vanmiddag de kleedkamer inkwam dacht ik bij mezelf: ‘Wat is het hier een enorme drukte! Allemaal jongelui vol beweging en misbaar!’” Even kijken Vincent, Ricardo, Danny en de jonge Bastiaan elkaar bevreesd aan. Zullen zij nu op hun kop krijgen van deze strenge man met die imponerende ogen? Gelukkig zien ze langzaam een milde glimlach door Hennies verweerde gelaat breken. “Maar toen we begonnen te voetballen, zag ik dat het goed was,” vervolgt Hennie. “Ja, alweer is een zomer vergleden, maar …”

Terwijl Hennie met zijn toespraak bezig is dwalen mijn gedachten af. Hoe lang kennen wij elkaar nu al? We ontmoetten elkaar in de vierde klas van de Zocherstraat-HAVO. Het klikte. We gingen samen naar tafeltennishuis Frans Schoofs op de Passeerdersgracht waar hij me volledig van de tafel mepte. Op zijn zeilboot vertelde hij me over de schoonheid van de stilte op het water. Jaren later nam ik hem na een zware bergtocht mee naar een Spaans dorpje om een glaasje coñac te drinken op een plaza mayor. De kleinste plaza mayor van het kleinste dorpje in de Pyreneeën. En er was natuurlijk het voetbal. De manier bij uitstek om een vriendschap te bestendigen. Ik schrik op uit mijn gedachten en bemerk dat Hennie ondertussen zijn verplichte rondje heeft gehaald. Hij heeft flink uitgepakt. Met een vreemde gelaatsuitdrukking wijst hij op de twee goedgevulde dienbladen op tafel. “Vrienden, dat daar is het bier; dat is mijn bloed, en dit hier zijn mijn vleeskroketten.” En ik besef dat dit wel eens een wonderbaarlijk seizoen zou kunnen worden.


Nummer 199
Frankie

Als ik wat verlaat de kantine van Fortius binnenkom zie ik tot mijn schrik slechts drie spelers van TABA aan een tafel zitten: de grieperige Anton en de jonge honden Danny en Ricardo. Even kijk ik op de grote klok die boven de bar hangt. Nog een kwartier te gaan voor de aftrap. Nou, dat belooft wat. Maar goed, ik sta de eerste helft in elk geval wel in de basis. Onze tegenstanders blijken oude bekenden te zijn. Een team van Sint Louis. Toen die club opgeheven is heeft er een ware diaspora van Sint-Louis-teams plaatsgevonden en kom je ze overal tegen. Bij VVGA, TABA en dus ook bij Fortius. Hun aanvoerder komt me lachend tegemoet. We schudden elkaar de hand. We kennen elkaar al minstens 15 jaar uit diverse toernooien en competitiewedstrijden. “Nou, we zijn helemaal klaar voor deze belangrijke wedstrijd uit de degradatiezone,” zegt hij enthousiast.

Degradatiezone? Is het alweer zo laat? Mismoedig kijk ik naar de tabaspelers die rustig een kopje koffie drinken. Het aantal is uitgebreid tot acht. Tijd om naar de kleedkamer te gaan. Als we na enig zoeken kleedkamer 2 gevonden hebben treffen we onze keeper Frank zenuwachtig trappelend voor de gesloten deur aan. “Waar blijven jullie nou?” roept hij. Als we ons even later aan het omkleden zijn zeg ik: “Frank, je stond weer goed te spelen afgelopen dinsdag bij de training; wordt het niet tijd voor een come-back als gemakkelijk scorende, technisch begaafde spits?” Frank wijst op de hemstring van zijn rechterbeen. “Het schoot er toch weer in,” zegt hij. Want het mag gezegd worden: onze beste veldspeler staat op doel. Niemand is blijer dan Frank met de regel dat terugspeelballen niet meer door de keeper met de handen mogen worden aangeraakt. Frank kapt dan de woest aanstormende spitsen op zijn dooie gemak uit.

En de schrik slaat ons om het hart. Eerst omdat we bang zijn voor balverlies, maar vervolgens omdat we de afgang vrezen dat hij al kappend uiteindelijk het veld oversteekt en een schitterend doelpunt maakt. Iets dat ons al ploeterend maar zelden lukt. De wedstrijd zit er bijna op. Frank ligt op de grond terwijl de spelers van Fortius elkaar in de armen vallen om het zojuist gescoorde winnende doelpunt te vieren. Gelukkig beschikken wij bij TABA 3 over een relativerende humor die menigmaal een wanhopige medespeler uit de put heeft geholpen. Terwijl we teruglopen naar de kleedkamer zegt Anton: “Hij riep ook niet ‘los!’; hij riep ‘Jos!’” Waarop Richard meldt: “We all make mistakes, let’s be frank.” En ik zeg: “Frank heeft ook altijd pech, daarom noemen we hem ook wel Anne Frank.” Ik voel de verontwaardigde ogen van de jonge Bastiaan in mijn nek branden en verbeter mezelf: “Ja, arme Frank, dus.

Pas in de kleedkamer zijn we bereid toe te geven dat Fortius eigenlijk wel beter had gespeeld, en dat Frankie tot driemaal toe ons in de wedstrijd had gehouden met goede reddingen. Later die middag drink ik nog een pilsje in de TABA-kantine. “Hé Colofon, heeft mijn broertje vandaag nog bij jullie gekeept?” vraagt Aadje. Even twijfel ik. Dan doe ik verlekkerd mijn verhaal.


Nummer 200
200

Ik heb er altijd naar gestreefd om voetbal en seks zoveel mogelijk gescheiden te houden, maar dit is overdreven’, denk ik terwijl ik door het raam van de bus in de verte de stad Benavente zie liggen. Nog een uur of twee naar Ponferrada. Dus nog uitgebreid de tijd om iets te verzinnen voor Voetbal & Seks. Nog wat one-liners dan maar? Die doen het altijd goed. Of toch maar een historisch overzicht? Want deze Voetbal & Seks wordt belangrijk. Nummer 200. Een mijlpaal, zo aan het begin van 2008.

Hoe begon het ook alweer? Dat was zo’n dertien jaar geleden, toen Aadje en Milton het bestuur van TABA vormden. De treffer werd toen nog gewoon gestencild in de TABA-kantine. Dan moesten we af en toe in een rij langs de tafeltjes lopen om de bladzijden op volgorde te leggen. De redactie van de treffer hield er mee op. Arthur hielp het bestuur toen uit de brand. ‘Ik doe de treffer voortaan wel’, zei hij, ‘maar dan wel op de tekstverwerker en met een kopieerapparaat.’ ‘En dan wil ik wel een vaste column!’ riep ik enthousiast. Verbaasd keek Arthur me aan. ‘Oh?’ zei hij. De eerste keer was best eng. Ik had mijn stukkie geschreven en bracht deze op een floppy naar Arthur. Deze stak de floppy in zijn computer en begon tot mijn schrik hardop te lezen: ‘Voetbal en Seks.’ ‘Da’s wel heel gemakkelijk scoren’, vond Juud die in de huiskamer meeluisterde. Onverstoorbaar las Arthur verder. Na afloop keek hij weifelend.

Toen typte hij onder mijn tekst: ‘Rolando de Corazon’ en keek me vragend aan. Een pseudoniem werd geboren. Dat hardop voorlezen hield Arthur vol. En het scherpte mijn schrijfstijl. Altijd was ik beducht voor zijn oordeel. Bij nummer vier had ik, vond ik zelf, een mooie openingszin gevonden. Dit keer fietste ik wat meer opgewonden dan anders met mijn floppy naar huize Rauwerdink. Daar aangekomen zetten Art en ik ons met een kopje thee voor de computer en Art begon te lezen. ‘Vaak wordt mij gevraagd: Corazón, hoe komt het nou toch dat TABA 5 zich nu al jarenlang moeiteloos weet te handhaven in de vierde reserveklasse onderbond Amsterdam?’ Art keek me aan. En begon te lachen. En maakte toen het high-five-gebaar. Het was het begin van een eigen stijl. De eerste twee seizoenen begon ik vele stukjes met de frase: ‘Vaak wordt mij gevraagd …’. Steeds meer lol kreeg ik in het schrijven, ook dankzij de enthousiaste reacties van mijn medespelers. Ik maakte van hun karakters ware karikaturen. Als ik een flauwe grap had verzonnen legde ik die in de mond van de gebroeders Noorman. Van de jonge Bastiaan maakte ik een puber. Pieter liet ik allemaal bombastische politicologische volzinnen uitkramen. Ze vonden het heerlijk. Zodra ze de treffer ontvangen hadden sloegen ze de gretig laatste pagina open in de hoop genoemd te worden. En de tijd schreed voort. We werden ouder. Gelukkig bleven we gewoon voetballen.

En ik zal voortschrijven, beste vrienden. Tenminste, zolang het team bij elkaar blijft. En zolang de creativiteit strekt, natuurlijk. De onderwerpen neem ik wat ruimer. Af en toe wat multiculturele soap over Corasjonnie en Anita, het moet kunnen. Binnenkort zal ik bundel nummer zes eens uitdraaien met de columns van de afgelopen twee seizoenen. Die draagt de titel Liefde en Dood. Want het leven draait nu eenmaal niet om voetbal en seks alleen.


Nummer 201
De carrière van Corazón

Met een zwierig gebaar zet Ruud de zilveren schotel midden op de tafel. Gejuich weerklinkt. ´Ruud, eerst biertjes en dan ook nog bitterballen; als je wilt krijg je gewoon een abonnement op het wedstrijdformulier, hoor’, zegt Corazón. Ruud antwoordt niet, en neemt voorzichtig een eerste hap. ´Verrek, hij is helemaal hol,´ roept hij verschrikt. De anderen nemen ook een voorzichtige hap. ´De mijne ook’, klinkt het. ´Het bestuur van TABA heeft klachten gehad dat de bitterballen van binnen af en toe koud waren en daar is een oplossing voor bedacht’, verkondigt Arthur plechtig. Lachend wordt er verder gegeten. Best lekker, eigenlijk, gebakken lucht. De stemming zit er goed in.

Er is zojuist overtuigend gewonnen van JOS Watergraafsmeer. Op het rubber. Voor de aanvang van de wedstrijd had Anton de aanvoerder van Jos aangeschoten. ´Zeg jullie mogen hier wel eens stofzuigen, wat een troep, zeg!’ En bij deze woorden had hij met een verontwaardigd gezicht een vuistvol rubberen korrels in een straal uit zijn hand laten glijden. De verbijstering zou die middag niet meer van het gezicht van de aanvoerder wijken toen hij moest aanzien hoe zijn team volkomen werd weggespeeld door de oude rotten van TABA. Zelfs keeper Frank deelde volop mee in de feestvreugde door drie tegenstanders uit te kappen en vervolgens met een uiterst correcte sliding de iets te ver voor zich uit gespeelde bal te corrigeren. ´Jongens, de pilsjes drinken we straks bij TABA, hoor’, werd er na afloop geroepen. Iets dat bij verlies wellicht minder voor de hand had gelegen. Nog een rondje bier en holle bitterballen wordt er besteld. En nog meer momenten van de wedstrijd worden in herinnering gehaald.

Dan zegt Corazón: ´Jongens, ik ben er de komende twee wedstrijden niet bij, hoor, want ik ga drie weken naar Spanje.’ ´Oh, weer een kleine bijdrage leveren aan de opwarming der aarde?’ vraagt Freek smalend. ´Als je verliefd bent wijken de principes; ik hoop dat jullie dat ook nog eens mogen meemaken, jongens’, antwoordt Corazón pinnig. ´Help me even op weg, Corazón’, zegt Anton, ´drie weken weg en dus maar twee wedstrijden afwezig?’ ´Nou, maandag weg, en vrijdag terug.’ ´En weet jouw lieve Ana dat dat alleen maar is om drie uurtjes met wat verkleumde kerels op een verregend voetbalveld te staan?’ gaat Anton door. ´Ze weet dat ik het best wel druk heb op mijn werk en dus ook wat tijd hier in Amsterdam nodig heb’, antwoordt Corazón. Hoongelach valt hem ten deel. ´Werkelijk alles moet wijken voor de carrière van Corazón’, concludeert Anton.


Nummer 202
La bodega de Tintín

Overal op de muren en ramen staan tekeningen van Kuifje. En ook van Bobbie, Kapitein Haddock, Professor Zonnebloem, Jansen en Janssen en van mijn favoriete figuur uit de kuifjesboeken: Bianca Castafiore, de operazangeres. Dit is een prima plek om af te spreken. Genoeg om naar te kijken. En ze zetten een heerlijk bakkie koffie. Hoewel, spreek je eigenlijk wel van koffie zetten als er een espressoapparaat wordt gebruikt? Af en toe lees ik wat in El País. Toch wel één van de beste kranten van Europa. Of in elk geval van Spanje en Nederland, want van kranten uit de overige landen weet ik eerlijk gezegd weinig tot niets. Al deze diepzinnige overpeinzingen worden verstoord als twee handen zich voor mijn ogen vouwen. Beïnvloed door de vele striptekeningen om me heen herhaal ik een grap van Guus Flater uit mijn jeugd. ´Juud? Els? Monica? Simone? Astrid?’ raad ik. ´Es humor holandés,’ hoor ik haar uitleggen. Ik draai me op en begroet haar.

Dan stelt ze me voor aan haar collega, een dertiger met een kaal hoofd en een brilletje. Ik voel me opgelucht. Geen fanaat, zo te zien. Iemand die het voetballen er gewoon bij doet, voor de lol en een beetje voor de conditie. Net als ik. ´En, ben je een goede speler?’, vraagt hij. ´Nou, ik ben geen Van Nistelrooij’, leg ik uit. Begrijpend knikkend roert hij zijn koffie. ´En op welke positie speel je?’ ‘Meestal op het middenveld.’ ‘Aha, een spelverdeler, zoals Esneijder.’ Zoals zoveel Spanjaarden kan hij onmogelijk een woord met een es en nog een medeklinker beginnen.

Ik ben eigenlijk meer een waterdrager; ik maak veel meters op het middenveld; een beetje zoals Bakero vroeger bij Barcelona.’ Met deze laatste opmerking hoop ik mijn kennis van het Spaanse voetbal te etaleren. En het werkt. ´Misschien heb ik nu wel een nieuw Nederlands talent ontdekt’, zegt hij lachend. ´En bij welke club in Nederland speel je eigenlijk?’ ‘Die beroemde club uit Amsterdam met twee A´s in de naam’, antwoord ik, dit keer schatplichtig aan de gebroeders Noorman, eigenlijk ook twee stripfiguren. ‘Ajax?’ ‘Nee, TABA.’ Even kijkt hij me peinzend aan. Dan vervolgt hij: ‘Nou, je kan bij ons komen voetballen, hoor, we spelen meestal op de zondagmiddag. Je moet natuurlijk wel lid worden van onze club Ponferradiña.’

Ik kijk weifelend naar Ana. Die zit trots de conversatie te volgen. Dat heeft ze toch maar mooi voor mekaar gebracht, deze ontmoeting. ‘Ik dacht eigenlijk dat jullie gewoon in een park voetbalden, een partijtje van vrienden onderling’, zeg ik. ‘Nee hoor, het is de officiële competitie.’ ‘Maar ik ben hier maar een paar keer per jaar, soms wat langer, maar dat is in de zomer als de competitie stil ligt.’ De conversatie valt stil. Dan vraagt hij: ‘Is het nu echt waar dat je in Amsterdam in de coffeeshops gewoon drugs kunt kopen?

Even later zitten Ana en ik samen aan een tweede bakje koffie. ‘Jammer, hè’, zegt ze, ‘het had zo leuk geweest als je hier ook zou kunnen voetballen.’ ‘Voetballen doe ik wel in Amsterdam; hier ga ik lekker in de bergen lopen.’ ‘Da´s ook heel gezond, maar nu moet ik weer aan het werk. Tot vanmiddag.’ We zoenen. Dan trekt ze haar jas aan en loopt naar buiten. Voor het raam zwaait ze nog even en verdwijnt achter een tekening van Jansen en Janssen die als groet hun bolhoeden lichten. Ik pak een landkaart en probeer te bepalen of ik deze morgen nog naar Toral de Merayo kan wandelen.


Nummer 203
De terugreis

Met een plof ga ik op het bed zitten. Wat een dag, zeg. Dan bedenk ik me iets. Ik heb een fles coñac bij me. Carlos III. Ik wroet in mijn rugzak en trek een grote plastic zak tevoorschijn met daarin de fles gewikkeld in een trui. Dit om de fles te beschermen tegen al te ruwe medewerkers op de vliegvelden. Zou net iets voor vandaag zijn. Fles kapot, alles stinkend naar de alcohol. Maar nee, Carlos III heeft de reis doorstaan. De pechdag is dan ook voorbij. Het is ondertussen zaterdag geworden. Ik schenk het plastic bekertje vol coñac en leun eindelijk ontspannen achterover. De reis was begonnen in Ponferrada. Het afscheid was zowel droevig als mooi. Zoals altijd.

In de bus keek ik vervuld van gedachten naar het landschap. De ruige bergen van El Bierzo maakten langzaam plaats voor de hoogvlakte van Léon. Met wat vertraging reden we het busstation van Léon binnen. Nog twintig minuten voor de overstap. Ik liep vlug naar de restauratie en bestelde een russische salade. Altijd lekker en snel klaar. Plots schrok ik op. Mijn kleine rugzakje vergeten! Dat had ik meegenomen naar mijn zitplaats in de bus; de grote rugzak in het laadruim. Even ging ik in gedachten na wat ik er allemaal in had zitten. Boek, oplader mobiele telefoon, huissleutels. Ik rende terug naar de parkeerplaats. Een hele rij precies eendere bussen. En alle bordjes met waar ze naar toe zouden gaan waren verhangen. Ik ging een willekeurige bus in en legde de chauffeur alles in stotterend spaans uit.

Es ese autobús’ zei hij en wees naar de overkant waar een bus zich langzaam losmaakte van zijn parkeerplaats. Ik rende er naar toe en gebaarde te stoppen. Met een vragend blik hield de chauffeur mijn rugzakje omhoog. Vervolgens ging het met een andere bus naar Valladolid. Onrust had zich in mijn lijf gevestigd en leek niet te willen wijken. Regelmatig keek ik op mijn mobieltje voor de tijd. Nee, dit moest goed gaan. Dit vliegtuig ging ik beslist niet missen. Mezelf verbijtend stond ik bij de bagageband op het vliegveld te Brussel. Eerst die enorme vertraging met dat vliegtuig. En nou maar wachten op de bagage. Nogmaals een blik op mijn mobieltje. Nog drie kwartier voor de laatste trein naar Amsterdam. Eindelijk gleed mijn rugzak me tegemoet. Ik deed hem om, rende naar buiten en vond een rij taxi’s. ‘Brussel Zuid!’ riep ik vertwijfeld in het Nederlands. ‘Charleroi Sud?’ vroeg de man. Hoe heette dat station in Brussel nou ook alweer? ‘Oui’, antwoordde ik op de gok. Zo’n tien minuten voor de trein naar Amsterdam zou vertrekken rende ik het verkeerde station in. Gare du Midi lag zo’n veertig kilometer naar het noorden. Zelfs de treinreis naar Brussel verliep vervolgens moeizaam. De eerste trein bleef met pech staan en de tweede deed er anderhalve uur over.

Ik was murwgeslagen. Om 23.00 uur liep ik het Gare du Midi uit. Toen had ik eindelijk eens geen pech en vond ik dit hotel. Zestig euro voor een kamer. Vooruit dan maar. Dat compenseert dan mooi de goedkope vliegticket van die prijsvechter. Ik schenk me nog een coñacje in en bereken hoe laat ik morgen moet opstaan om op tijd te zijn voor de wedstrijd. Dat wordt om zeven uur ontbijten.

Rolando de Corazón

PS TABA 3 speelde die zaterdag gelijk tegen Fortius en belandde daarmee op een verdiende elfde plaats. Corazón deed één helft mee en speelde een ongelukkige wedstrijd.


Nummer 204
Freek

Jongens, ik ga nu echt weg, hoor’, zei Freek. Hij maakte een vaag groetgebaar en liep met zijn tas onder zijn arm in de richting van de uitgang. Even bleef hij weifelend staan, keerde zich om en leek nog wat te willen zeggen, maar bedacht zich en liep uiteindelijk met een steeds vastberadener tred door. Wij stonden er wat ontredderd bij, daar buiten voor de kleedkamers van TABA tijdens de rust van de wedstrijd tegen De Meer. Hoe moest dat nu verder? We misten al onze Pieter en Koen en nu ging onze spelverdeler ons ook nog verlaten. ‘Waar gaat hij eigenlijk heen?’ vroeg Jos nog. ‘Zijn kinderen ophalen, tja, de opvoedtaken combineren met een voetbalcarrière valt nu eenmaal niet mee’, antwoordde Richard.

Toen volgden de beraadslagingen over de te volgen strategie en de bijbehorende opstelling. Zaken waarover normalgesproken Freek het laatste woord heeft. ‘Ik ga wel midmid lopen, samen met Hennie,’ opperde Corazón, ‘want met mijn loopvermogen en Hennies techniek vormen we samen bijna een Freek.’ Er werd bedenkelijk gekeken. ‘Maar jij trekt al zo goed de gaten op links,’ besloot Ruud, ‘laat Ricardo nou maar in het midden lopen.’ ‘Als hij dan maar niet de vrije trappen neemt want dat kan hij helemaal niet!’ riep Danny met schelle stem. Bevreemd keken de anderen hem aan. ‘Maar gelukkig heeft hij goede vrienden die hem dat vergeven’, sprak Henk zalvend.

Natuurlijk was het de tweede helft een puinhoop. Chaos troef. Het ontbrak ons aan automatismen, zoals dat ook wel heet. Tot onze grote verbazing hielden we de wedstrijd op 0-0. Na afloop werd dat vooral geweten aan het kopieergedrag van de jongens van De Meer die, onder de indruk als zij waren van het surplus aan levenservaring bij hun tegenstanders, ook besloten te strooien met foute passes en onmogelijke passeerbewegingen. Zelfs protesteerden ze niet toen onze eigen Wil een rode kaart trok voor het beledigen van de scheidsrechter met de woorden: ‘Ik laat me geen lul noemen; ik heb geen gaatje in mijn hoofd!’ De humor ontging de jongens van De Meer. Zij hadden slechts verwijten over voor hun teamgenoot die zich met gebogen hoofd naar de zijlijn begaf. ‘Waarom riep je dat nou? Dat is toch nergens voor nodig!’ Voorzichtig informeerde Wil toen bij Corazón: ‘Heeft een scheids eigenlijk al eens het wedstrijdformulier gekregen?’

Na afloop dronken de mannen van TABA 3 hun biertjes in de kantine. Nieuwsgierig keken zij naar Corazón. Wanneer komt hij nou met dat formulier? Wil vertelde nog eens in geuren en kleuren over het moment van de rode kaart. Anton benadrukte het kantelen van de wedstrijd toen hij doorschoof naar het middenveld. De beide backs Henk en Arthur dichtten hun directe tegenstanders kwaliteiten toe die de vijfde reserveklasse verre overstegen. ‘Het wedstrijdformulier gaat naar Freek’, zo oordeelde Corazón bondig. En niemand protesteerde.


Nummer 205
Het Meisje en de Kapitein

Beste teamgenoten,

Zaterdag was ik er niet bij. Een beslissing van het laatste moment. Maar ja, hoe zat dat? Vrijdagavond kwam mijn geliefde aan op Schiphol. Zij is namelijk een Spaanse. En opeens leek een vrije zaterdag wel heel erg aanlokkelijk. Uitslapen, boodschappies doen op de Noordermarkt, uitgebreid lunchen met een glaasje wijn, siesta. Dus belde ik pas vrijdagmiddag Art met de woorden. ‘Ik zal er morgen niet bij zijn maar volgens mij zijn er mensen genoeg.’ Ik hoop dat dat laatste waar was. Anders krijg ik dat vast nog te horen. De uitslag weet ik wel. Op het gebruikelijke sms-je ‘En?’ antwoordde Arthur: ‘3-5 verloren, ik was kiep en we hebben beroerd gespeeld.’ Normaal voel je bij zo’n bericht een zekere opluchting. Niks erger dan afwezig zijn als je team heerlijk speelt. Dit keer overheerste een gevoel van schaamte. Vanwege dat late afmelden. Als goedmakertje geef ik jullie het mooiste dat ik ooit gemaakt hebt. Nee, het gaat niet om een doelpunt. Zoveel scoor ik er niet. En ook niet om muziekstuk of een spannende aflevering van Voetbal & Seks. Het gaat om een hoorspel dat, voor zover ik weet, nog nooit gehoord is. Behalve door de twee hoofdrolspelers dan. Mijn nichtje Linda en ik.

Zij was toen een jaar of elf. En ik dus eenentwintig. We hebben het hoorspel opgenomen in mijn ouderlijke huis op de Jacob van Arteveldestraat. Met een cassetterecorder en een microfoon. Het cassettebandje bestaat niet meer. Overgespoeld, versleten, vergaan. We maakten gebruik van een grammofoonplaat met de naam Geräuschschallplatte. Geen idee hoe ik daaraan kwam. Daarop stonden allerlei achtergrondgeluiden, waaronder één getiteld ‘Krieg’. Dat begon met een enkel schot, daarna een mitrailleursalvo en vervolgens steeds meer schoten, granaatinslagen, gierende mortieren en op het laatst zelfs een heus luchtbombardement. Dus, beste teamgenoten, zet nu in gedachten een cassetterecorder aan, de derde knop van links, als ik het me goed herinner, en luister naar Het Meisje en de Kapitein.

Linda: Tralalala, zo, eindelijk weer thuis. (krakende deur) Hè, hè.

Corazón: Boehoehoehoehoe!

Linda: Help! Een spook! Een spook! Snel, naar buiten! (krakende deur) Help! Oh, gelukkig, soldaten!

Corazón: (Met zware stem) Wat is er aan de hand, meisje?

Linda: Oh, kapitein, er zit een spook achter me aan.

Corazón: Dat lossen wij wel even op. Mannen! Pak de geweren! Vuur!! (Er klinkt een droog schot. Dan een mitrailleursalvo. Meer schoten. Kanongebulder. Het gieren en ontploffen van inslaande granaten. Oorlogsvliegtuigen vliegen over en laten hun bommenvracht vallen. Ondertussen is te horen dat de kapitein en het meisje een conversatie voeren. Door het aanzwellende oorlogsgeweld is hier echter niets van te verstaan. Dit duurt best lang. Plotseling houdt het lawaai op. Een naald wordt van een grammofoonplaat gehaald.)

Corazón: Zo, die is dood.

Linda: Hoera! Hoera! Bedankt, kapitein.

Corazón: Kom, we gaan trouwen!


Nummer 206
Oefening baart kunst

Het is het ideale weer. Koud. Maar helder. Snel worden er partijen gemaakt. Het wordt vijf tegen vijf. TABA 3 is ruim vertegenwoordigd. Zoals altijd. Freek, Art, Koen, Richard, Henk en ikzelf. Dan moet er één van ons bij de tegenpartij. Het wordt Art. Hier gelden blijkbaar de zelfde regels als bij de opkomst op zaterdag. Wie het laatst komt heeft de minste rechten. We doen onze truien uit. Eronder draagt heel TABA 3 een mooi geel shirt. Afdankertjes van het eerste.

Die dachten dat we die bij de wedstrijden gingen dragen. Zodat we er eindelijk eens fatsoenlijk uit zouden zien. Maar wij hadden andere plannen. ‘Als we die gele shirts steeds meenemen naar de training zitten we steeds in één team.’ ‘En hoeven we tenminste niet meer die stinkende hesjes aan.’ Deze woorden dreven Frankie welhaast tot wanhoop. ‘Wat doen jullie nou, hebben jullie eindelijk mooie shirts, ga je die gebruiken voor een onderling potje!’. ‘Maar Frank, die onderlinge potjes zijn net zo belangrijk als de competitiewedstrijden.’ ‘En er mankeert niets aan ons shirt met een streepjesmotief!’ Vol onbegrip schudde Frank het hoofd.

We gaan beginnen. Guido en Jos van het tweede, Wil van het vierde, een vriend van Koen en onze eigen Arthur zijn dit keer dus de tegenstanders. Het is aan elkaar gewaagd. En het gaat fanatiek. Alleen als de bal in de sloot ligt is er ruimte voor een kwinkslag. Dan staan de spelers dampend bij elkaar tot de ongelukkige schutter de bal weer in het veld brengt. Langzamerhand sluipt er vermoeidheid in het spel. Passes komen niet aan. Meeverdedigen wordt een opgave. Het eerste gemopper is te horen. ‘Jongens, winnende doelpunt?’ Gretig wordt met dit voorstel ingestemd. Dan floept het licht uit. Het is tien uur.

‘Gelijkspel, een terechte uitslag’, zo wordt de partij samengevat. En we sjokken naar TABA. De kantine is een huiskamer. Warm, druk en gezellig. De televisie staat aan. Arsenal tegen Liverpool om de championsleague. ‘Het is een schitterende wedstrijd’, roepen de veteranen ons toe. We drinken onze biertjes. En ondertussen vindt er veel informeel overleg plaats. De opkomst komende zaterdag. De doorstroming van de jeugd. De verbouwing. Het TABA-jubileumfeest. Af en toe werpen we een schuin oog op het televisiescherm. We zien dat het een fijne wedstrijd is. Maar niet zo fijn als daarnet op het rubber van JOS.


Nummer 207
De nachtegalen van Medina de Rioseco

Het is zaterdagmiddag. Buiten zingt een nachtegaal. Ik ga voor het raam staan en probeer hem te ontwaren. Ergens in die struiken langs dat stoppelveld, daar moet hij zitten. De ruíseñor noemen ze hem hier. De herrie-meneer, vrij vertaald. Uit deze naam blijkt dat hij in deze contreien een stuk algemener is dan bij ons. Een poëtische naam als de nachtegaal geef je natuurlijk alleen als zo’n beest een beetje bijzonder is. Niet als hij de godganse dag in je oren staat te tetteren. Moet je horen. Wat een variëteit. Dan vraagt Ana: ‘Wat sta je daar dromerig te kijken. Zit je soms weer aan voetbal te denken?’ ‘Nee, eigenlijk niet, ik dacht aan die andere grote hobby van me.’ ‘Oh?’ ‘Ja, vogels.’ Ik strek me uit naast haar op het grote bed en zeg: ‘Het is heerlijk om hier te zijn.’ ‘Ja.’ ‘Want het barst hier werkelijk van de nachtegalen.’

Buiten gaat het kwinkeleren onverdroten voort. ’s Avonds wandelen we door Medina de Rioseco. Het getiktak van onze voetstappen echoot tegen de middeleeuwse huizen. We vinden in de schaduw van een galerij een fijn klein terrasje waar we een welverdiend wijntje drinken. We verwonderen ons over de ouderdom van de houten balken die de galerij ondersteunen. Dan vraagt ze: ‘Moet je niet Arthur een berichtje sturen om de uitslag te weten van de wedstrijd?’ ‘Oh ja.’ Ik pak mijn mobiel en verstuur het vertrouwde bericht: ‘En?’ Het antwoord blijft uit. De jongens van TABA 3 zullen de laatste pilsjes wel al genuttigd hebben. Iedereen zit thuis of in een restaurantje te eten. Vermoeid en voldaan na de laatste wedstrijd van het seizoen. We bestellen nog een wijntje en wat tapa’s. Langzaam neemt de duisternis bezit van Medina de Rioseco.

De volgende dag wandelen we in de schaduw van de vele bomen langs het Kanaal van Castilië. In de 18e eeuw gegraven om het Spaanse graan naar de noordelijke havens te vervoeren, zo staat op een informatiebord te lezen. Het vormt nu een groen lint door de dorre Castiliaanse hoogvlakte. Schitterend. Ik voel het trillen van mijn mobieltje. Een bericht van Art. ‘Goed nieuws?’ vraagt Ana. ‘Ze hebben verloren en de jonge Vincent kreeg het wedstrijdformulier.’ ‘Vincent?’ Ze dacht toch alle spelers van het team onderhand wel te kennen. ‘Onze jongste speler. Doorgestroomd uit de A-jeugd. Met zijn komst en die van Ricardo en Danny is onze gemiddelde leeftijd dramatisch gedaald.’ Even verwerkt ze deze belangwekkende informatie. Dan vraagt ze: ‘Is dat nu ook een nachtegaal die daar zo zingt?’ We staan stil en luisteren nauwlettend toe. Geen twijfel mogelijk.

Rolando de Corazón

De Voetbal en Seks Liveshow

Voorgelezen door Corazón en gespeeld door de overige spelers van TABA 3 in het Nestheater vanwege het 75-jarig bestaan van TABA, juni 2008. Langzaam maakt de Castiliaanse hoogvlakte plaats voor het ruige berggebied van El Bierzo. Ik zit in de bus. De bus van Madrid naar Ponferrada. Ik heb namelijk een Spaanse vriendin. En dat is een goede zaak. Toch is het mij vreemd te moede. Het is zaterdagmiddag vijf uur. Hoe zal de wedstrijd gegaan zijn? Ik stuur het gebruikelijke sms-je naar Arthur. ‘En?’ Het duurt niet lang voor Arthur antwoordt. ‘Verloren maar heerlijk gespeeld. We gaan nu naar de kantine om na te genieten.’ Ik zie het tafereel voor me.

De tabaspelers (behalve Freek) gaan zitten rond een tafel. Arthur bergt zijn mobieltje op.

Op hun gezichten de voldaanheid na een lekkere wedstrijd. Vergeten is de nederlaag; de gesprekken gaan al over andere zaken. Dan komt Freek uit de bestuurskamer met een kopietje van het wedstrijdformulier in zijn hand. Hij gaat zitten maar voelt hoe de blikken van de TABA-spelers strak op hem gericht zijn. Er zit niets anders op. Langzaam staat hij op en zegt: ‘Beste mensen, het is weer tijd voor de uitreiking van het wedstrijdformulier.’ Onzeker kijkt hij de groep rond. Wie moet het in godsnaam worden? Waarom wordt hij toch altijd met zulke verantwoordelijke taken opgescheept? En Corazón maar lekker reizen.

Hij herpakt zich en vervolgt: ‘Eh Richard, je hebt een mooi doelpunt gescoord maar meeverdedigen, euh, daar moet je nog wat aan werken.’ Richard staat op. Druk gesticulerend beweert hij: ‘Ik verdedig mee door voorin alvast vrij te lopen, maar dan moet ik wel goed aangespeeld worden. Al die lange ballen vanuit de verdediging (en hij kijkt even nadrukkelijk naar Anton) zijn niet gemakkelijk aan te nemen.’ Anton antwoordt verontwaardigd: ‘Ik heb anders nog nooit eerder klachten gehad over mijn lange ballen!’ Snel neemt Freek het initiatief weer over. ‘Juist ja, Ruud, je zette de verdediging weer goed neer, maar ja, heb je daarmee ook het wedstrijdformulier verdiend?’ Allen roepen in koor: ‘Nee!’ Freek krijgt duidelijk lol in zijn rol als volksmenner en schreeuwt: ‘Want wat moet je doen om ervoor in aanmerking te komen?’ En allen roepen: ‘Boven jezelf uitstijgen!

Pieter springt enthousiast op en zegt. ‘Ook hieruit blijkt de teloorgang van het sociaaldemocratische streven naar de egalitaire samenleving waarop, onder druk van de globaliserende economische verhoudingen, een populistische reactie..’ Freek onderbreekt zijn betoog. ‘Ook Arthur heeft goed gespeeld, zoals zo vaak. En dan noem ik ook nog de vanzelfsprekendheid van de acties van Hennie, de felle inzet van Jos, de schotvaardigheid van Vincent, de balvaardigheid van Wil, onze goed meevoetballende keeper Frank (noemt iedereen op die op het podium zit)’.

Het noemen van al deze namen heeft tot gevolg dat de spelers van TABA 3 elkaar luidkeels beginnen te becommentariëren, waarbij er veel gepraat en weinig geluisterd wordt. (allen praten door elkaar) Getergd hoort Freek het rumoer aan. Dan zegt hij met stemverheffing: ‘Maar, in de geest van Corazón, wie is er vandaag het meest boven zichzelf uitgestegen door als moderne back langs de zijlijn op te stomen?’ Henk begint al tijdens deze woorden de lege bierflesjes te verzamelen. En allen doen in koor het geluid van startende motoren na: ‘Heng, Heng, Henk!!!!’ Zo ongeveer moet het gaan. Zo is het immers al twintig jaar gegaan. Zo moet het blijven gaan.


Nummer 208
Molinaseca

Gisteren was het hier koud. Kun je je nu nauwelijks voorstellen. En het loopt al tegen achten. De schaduwen worden langer. De zon heeft nog voldoende kracht om te warmen, te weinig om te branden. Ideaal. Nog even zwemmen misschien? Nee, dat niet. IJskoud, dat water hier. Regelrecht uit de bergen. Overdag goed te doen. Je knapt er van op. Nu gewoonweg gekkenwerk. Verderop, waar er een dammetje is geplaatst, wordt er toch nog gezwommen. De geharde dorpsjeugd.

Door de bogen van de romaanse brug zie ik hoe ze van een brede tak van een boom het water induiken. Moet je hier niet proberen. Stenen schemeren tussen de door de stroom schuingetrokken waterplanten. Af en toe duikt een zwaluw naar het wateroppervlak om er een insect af te plukken. De kerkklok slaat langzaam acht uur. Het moet nu echt niet veel mooier worden! ´Hoe heet deze rivier eigenlijk?´ vraag ik Ana die naast mij ligt te zonnen. Zonder haar ogen te openen zegt ze iets met veel ll´s, ue´s en z´s. Ik besluit de naam direct te vergeten. Doet er eigenlijk niet zo veel toe. Ik heb al zo veel aan mijn hoofd.

Overmorgen alweer de deadline van Voetbal en Seks. En volgende week samen naar Amsterdam. Nu nog even genieten. Dan voel ik het trillen van mijn mobiele telefoon in mijn broekzak. Met tegenzin neem ik het gesprek aan. Een opgewekte stem. ´Met Jan Zusenzo van voetbalvereniging Overamstel. Bent u nog steeds de secretaris van afc Taba?´ ´Dat hangt er helemaal van af waar het om gaat,´ antwoord ik ontstemd


Nummer 209
Het Marnixbad

Het is dinsdagavond. De vaste trainingsavond. Het weer is ideaal. Koel en droog. Van dat weer waarbij je niet moe lijkt te kunnen worden. Als de lichten om tien uur uit gaan ben je teleurgesteld. En niet opgelucht zoals op andere avonden. In het donker probeer je je trui die als doelpaal heeft gefungeerd terug te vinden. En dan naar de gezellige rookloze kantine. Maar ik ben er niet. Hoe gaat dat? Thuisgekomen van het werk. Vroeger was het dan een snelle hap. Hup, even wat macaroni in de pan. Tomaatjes, eitje erbij. Klaar. Op de fiets naar TABA. Nu wacht daar Ana met een uitgelezen maaltijd. Daar maak ik als vanzelfsprekend een wijntje bij open. Aanvankelijk af en toe een onrustige blik op de klok. Al snel niet meer. Even later uitbuiken op de bank. En dan ontstaat het plan. Laten we gaan zwemmen!

Het vernieuwde Marnixbad is hier om de hoek. Nog even twijfel. Wel al wijn gedronken. En nogal wat gegeten. Ach, ze zijn tot elf uur open. Gaan! ‘In het wedstrijdbad zijn de banen afgezet, en in het instructiebad niet, maar dan moeten jullie naakt gaan zwemmen.’ De kaartjesverkoopster vervolgt zachter van toon: ‘Maar daar komen vooral mannen, hoor. Om elkaar te ontmoeten. Ik weet niet of de dame daar zo’n zin in heeft.’ We krijgen elk een armband om met daarin een chip om deuren van kleedkamers en kluisjes te openen, en zelfs om de douche aan te zetten. Terwijl we ons in een klein tweepersoons­kleedkamertje omkleden vertaal ik alles wat de kaartjesverkoper zei (ik heb namelijk een Spaanse vriendin).

Ik zwem liever in dat instructiebad, geloof ik’ zegt Ana. ‘Maar er zijn alleen mannen, hoor.’ ‘Heb ik geen last van. Maak jij ook eens mee hoe het is om keurende blikken op je te voelen.’ Ik volg haar blik naar beneden en zeg bedenkelijk: ‘Laten we gaan.’ Het water is warm, zo merken we als we onze tenen er in steken. En het is bijzonder rustig. Blijkbaar hebben de mannen elkaar al ontmoet. Behaaglijk laten we ons in het water zakken. Dan begint Ana op haar gemakje naar de andere kant te zwemmen. Ik er achteraan. Uit alle macht. Anders hou ik haar niet bij. Aan de andere kant aangekomen zet zij zich onmiddellijk weer af en zwemt terug. Met een machtige eindsprint weet ik langzij te komen voordat we de andere kant bereiken. Een gulp water glijdt in mijn keel. Alweer gaat het heen en weer. Nu arriveer ik een metertje achter haar. Even rust ze. Eindelijk. ‘Lekker hé,’ zegt ze als ik even later de kant bereik. En ze zet af. Het loopt tegen elven. We zijn nog de enigen. ‘Is dit nou niet veel lekkerder dan voetballen,’ vraagt Ana plagerig. ‘Ik mis het wedstrijdelement,’ antwoord ik. We klimmen uit het zwembad en lopen terug naar de kleedkamers.


Nummer 210
De nieuwe teamleider

‘En Richard, hoe was het voetballen gisteren?’. Richards ogen beginnen te glinsteren. Ik weet al wat er gaat komen. Gisteren had ik vanuit de haven van Texel het gebruikelijke sms-je naar Arthur gestuurd. ‘En?’ Dit keer had Arthur direct geantwoord. ‘4-4 na een ware titanenstrijd!’ En ’s avonds had, geheel op eigen initiatief, ook Anton nog ge-sms’t: ‘4-4 tegen de koploper. We hebben je gemist!’ Dat leek toch al een beetje op een hatelijke grap. Of zal hij het werkelijk menen? Anton is natuurlijk wel op me gesteld. Geloof ik.

Ik legde het Hennie voor. ‘Vertel hem maar dat zeilen toch veel fijner is dan dat domme gevoetbal,’ raadde die me kluivend aan een texels lamspootje aan. Aarzelend keek ik hem aan. Voetbal verloochenen ging me te ver. En ik stuurde Anton de laffe tekst: ‘Groetjes uit Texel, hier heeft het ook gemist.’ En nu luister ik in restaurant Amsterdam naar het relaas van Richard. We hebben zojuist gejamd in oefenruimte De Jam. Vol enthousiasme had Richard daar teksten geïmproviseerd op onze lawaaiige en slordige akkoordenschema’s. Maar dat was nog niets vergeleken met de woordenstroom die nu op gang komt om de wedstrijd te beschrijven. De doelpunten van Pieter. Het verdedigen van de jonge Bastiaan. En dat terwijl die spits bij Ajax heeft gespeeld.

Nogmaals vertelt Richard hoe die jongens van Devo voor de wedstrijd met z’n allen begonnen warm te lopen en een mascotte in het doel hadden gehangen. Nou, dan heb je aan TABA 3 een slechte. Geknokt werd er. En zo’n beetje in de laatste minuut werd een knullig afstandsschot van de jonge Bastiaan door een noeste verdediger van Devo in het eigen doel gekopt. 4-4! Nooit eerder smaakte een gelijkspel zo zoet. ‘En hoe deed de jonge Bastiaan het als nieuwe teamleider?’ ‘Enorm goed!’ antwoordt Richard enthousiast. ‘Hij reikte het wedstrijdformulier uit met een schitterende toespraak. Iedereen hing aan zijn lippen!’ Even lijkt hij te schrikken van zijn eigen woorden en vervolgt dan: ‘Ja, je hebt een waardige opvolger gevonden.’De jonge Bas is volwassen geworden,’ concludeer ik. ‘Hoe was het op Texel, eigenlijk?’ vraagt Richard. Ik vertel over de wind, de woeste baren, de zeehonden op de platen en het gekrijs van de zeemeeuwen, terwijl Richard langzaam een sigaret uit zijn pakje haalt en daar verlangend mee begint te spelen.


Nummer 211
De vergadering

Anton voert het woord. Hij vertelt over de bestuurswisselingen bij TABA. Over de continuïteit die gewaarborgd is. Over de verbouwing die later uitgebreid aan de orde zal komen. Naast hem knikt Arthur instemmend bij elk punt dat Anton noemt. Het vervult me met trots. Hier zitten we dan. Drie spelers van het vriendenteam TABA 3. Bij de club gekomen om een balletje te trappen en verder niets. En nu hoeven we alleen nog maar voor Anke een veldpositie te zoeken en het gehele bestuur bestaat uit TABA-3-spelers. Zouden we zomaar het besluit kunnen nemen van de zaterdag 3, als vlaggenschip van de vereniging, het eerste betaalde team uit de geschiedenis van TABA te maken. Maar dan zal de algemene ledenvergadering wel weer bezwaar gaan maken vanwege de hoge kosten. Mensen zijn zo materialistisch tegenwoordig.

Mijn blik dwaalt door de kantine. TABA 3 is bij deze algemene ledenvergadering uitstekend vertegenwoordigd. Daar zit Jos. Eén van onze laatste aanwinsten. En bijzonder actief in de club als onder andere materiaalman. En Frank dan. Zit hier voornamelijk in zijn hoedanigheid van trainer/coach van de zondag 1. Althans, dat neem ik aan. Dat hij straks niet gaat zeggen: ‘Voorzitter, als keeper van TABA 3 wil ik graag het volgende te berde brengen….’ En onze Freek. Veldaanvoerder van TABA 3. Een belangrijke functie. Maar hier toch vooral aanwezig als lid van de Technische Commissie van de jeugd. En kijk nou. Henk. Die zit hier gewoon als kritisch TABA-lid. Die betuigt middels zijn aanwezigheid zijn solidariteit met ons. Dat geeft een warm gevoel.

Verder weinig seniorenleden. Wel veel veteranen. Natuurlijk. Velen zijn actieve jeugdbegeleiders. Hier zitten allemaal positief gestemde mensen bij elkaar die hun vrije tijd in de voetbalclub TABA steken. Om zo een actieve bijdrage te leveren aan een betere wereld. Zo is het toch zeker? Ik schrik op uit mijn mijmeringen als ik Anton het woord Seniorencommissie hoor zeggen. Straks is het mijn beurt om iets te zeggen. Nog even overweeg ik mijn woorden. Ik moet iets zeggen over de cultuuromslag die bij de senioren zal moeten plaatsvinden. Het verschijnsel vriendenteam staat op gespannen voet met de doorstroming van de jeugd. Ja, dat klinkt goed. En dat ik dan zelf, juist als vertegenwoordiger van het vriendenteam bij uitstek – TABA 3 – de ladder zal zijn waarlangs de seniorencommissie omhoog klimt. Na deze taak te hebben volbracht kan de ladder worden afgedankt en neem ik mijn ontslag als deeltijdsecretaris dezer vereniging. Als deze woorden de zaal niet plat krijgen, nou, dan weet ik het niet meer. Die Corazón, zullen ze allemaal zeggen, die weet het maar weer mooi onder woorden te brengen.

Popelend wacht ik tot Anton eindelijk uitgepraat is. Plotseling neemt Aad het woord. ‘Bert en ik zullen de doorstroming van de jeugd gaan begeleiden naar de zondagafdeling,’ zegt hij stellig. Er ontstaat een levendige discussie over het hoe, wat en waarom. Uiteindelijk vat Anton het geheel samen. ‘Mooi, dat lijkt dus allemaal in orde te komen, en, eh, misschien wil Corazón dan nog wat zeggen, over de, eh, zaterdagsenioren, wellicht?’ ‘Bij de zaterdagsenioren streven wij ernaar in een zo laag mogelijke competitie uit te komen,’ begin ik. Ik wacht even tot er een verontwaardigde frons op Aads voorhoofd verschijnt en vervolg dan met: ‘Maar de tijden zijn veranderd. De seniorencommissie moet er komen. Ook met de zaterdagafdeling erbij.’ Vol verbazing kijkt Aad me aan. ‘Colofon, ik weet niet wat ik hoor!’ roept hij uit.


Nummer 212
Uche! Uche! Uche!

Corazón, ben jij nu altijd al zo tegen roken geweest?’ vraagt Werner met een grijnslachje. Even kijk ik hem weifelend aan. Ik sta met mijn jas aan op het punt de kantine te verlaten. En discussies over het roken plegen langdurig en taai te zijn. Zelfs met een niet-roker als Werner. Die is anarchist. Zojuist heb ik heerlijk getraind. Met de zaterdagveteranen. Zoals wel vaker de laatste tijd. Onderweg van het werk naar huis kom ik toch langs TABA. En wat blijkt dan? Ik draai conditioneel nog best aardig mee! Velen van hen roken. En dat doen ze bij voorkeur in de kantine.

Elke keer als ik voor de training de kantine binnenkom moet ik iets roepen in de trant van: ‘Heren, heren, het roken is hier verboden, dat is toch genoegzaam bekend?’ Lachend begeven de vets zich dan naar buiten, of, als het daar al te guur is, naar de ruimte achter de keuken. Het gaat gemoedelijk. Zoals het hoort bij TABA. Toch is het vermoeiend. Elke keer weer. De verantwoordelijkheid van mijn bestuursfunctie rust zwaar op mijn schouders. Maar dat duurt niet lang meer. Tot het einde van dit seizoen. Maar om die paar maanden nou te slijten als antirookmagiër, nou, liever niet. Nog steeds weifel ik hoe Werner te antwoorden. Zal ik me verschuilen achter de wet? De niet milde boetes? De uitspraken van de algemene ledenvergadering? Dat zal zeker minder tijd in beslag nemen. Maar ik besluit de confrontatie aan te gaan.

De maatregel is er om werknemers te beschermen, Werner,’ antwoord ik, ‘dus eigenlijk voor jou.’ ‘Maar ik vind het betuttelend,’ zegt Werner, ‘van mij hoeft het niet.’ ‘Het gaat ook niet om jou persoonlijk, maar om wie er ook maar staat. Jouw eventuele opvolger heeft ook recht op een rookvrije werkplek.’ ‘Er wordt al honderden jaren gerookt in cafés, het hoort bij de traditie!’ zo mengt een zaterdag­veteraan zich in de discussie. ‘Dat waren slavernij en kinderarbeid ook,’ antwoord ik kortaf. ‘Maar er zijn zoveel beroepen met risico’s,’ gaat Werner onverdroten voort, ‘neem een verkeersagent die in de uitlaatgassen staat.’ Ik besef dat ik hier nog lang niet weg ben. ‘Het verkeer stilleggen is niet gemakkelijk, maar het is wel heel simpel om even buiten te gaan roken. Da’s een moeite van niks. En laten we wel zijn, het is best fijn als er niet gerookt wordt.

Werner laat niet los. ‘Als er zo’n behoefte is aan rookvrije café’s, dan begrijp ik niet waarom die er nooit gekomen zijn. Daar zou dan toch een markt voor geweest moeten zijn?’ ‘Dat komt omdat rokers, vanwege hun verslaving, niet flexibel zijn. Niet-rokers zijn dat over het algemeen wel. Nogmaals, het probleem is heel simpel op te lossen. Gewoon even naar buiten. Da’s nog gezellig ook.’

Nou, bij dat laatste vrijwilligersfeest heb ik anders heel veel mensen horen klagen over het feit dat ze buiten moesten roken. Dat vonden ze helemaal niet gezellig.’ ‘En ik blijf het een vreemde gewoonte om als je ergens binnenkomt gelijk iets in de fik te steken en rook om je heen te blazen. Maar nu ga ik weg, hoor. Mensen, tot volgende week!’ En voordat Werner nieuwe tegenargumenten te berde kan brengen ga ik naar buiten, haal mijn fiets van het slot en zwaai nog eenmaal joviaal naar de veteranen die rond een tafel aan hun flesjes bier zitten. Straks gaan ze vast roken. Of niet? Nog eenmaal overdenk ik de laatste woorden van Werner.

Ik dacht tijdens het feest echt dat de rokers het buiten erg gezellig met elkaar hadden. Maar nee, ze voelden ze zich niet meer welkom; ze voelden zich buiten­gesloten. En daarmee identificeerden ze zich volkomen met hun sigaret. Maar volgens mij gaan de rokers echt het pleit verliezen. Want wat bleek nu ook weer tijdens het vrijwilligersfeest? Het is gewoon best lekker als er binnen niet gerookt wordt.


Nummer 213
Ya no estás más a mi lado, Corazón

We zitten in het gras voor de kleedkamers van TABA en kijken hoe onze tegenstanders daar aan de zijkant van veld 2 hun kampioenschap vieren. Daar komt vanzelfsprekend een spuitende fles champagne aan te pas. Het is een vrolijke boel. ‘Ga jij je in Spanje nu ook Corazón noemen, Corazón?’ vraagt de jonge Bastiaan me. Ik neem bedachtzaam een slokje van mijn bier en antwoord dan: ´Dat denk ik niet, Bastiaan. Jaren geleden was ik eens in Zuid-Amerika en toen ging ik ook als Corazón door het leven. Nou, dat heb ik geweten; ze zingen nog steeds de hele tijd liedjes over me.’ ´Maar blijf je wel schrijven voor de TABA-Treffer?’ gaat de jonge Bastiaan verder.

´De TABA-leden zitten vast niet te springen om een Voetbal & Seks waar geen voetbal in voorkomt.’ ´Nou, ik wel hoor,’ antwoordt de jonge Bastiaan enthousiast. Dan kleurt zijn gezicht rood en volgt hij aandachtig de verrichtingen van TABA 4, die net als wij daarnet kansloos lijken te gaan verliezen. ´Maar je stopt dus echt met voetbal,’ zegt Anton ongelovig. ´Dat zou zo maar kunnen.’ ´En tot wanneer blijf je in Spanje?’ Een goede vraag. ´Ik weet het echt niet. Het is enorm spanjend allemaal.’

Anton lacht bereidwillig om mijn flauwe grap en vraagt: ´Maar ben je niet bang voor een carrièrebreuk? Je hebt jezelf net opgewerkt van teamleider tot wedstrijdsecretaris. Je hebt een vaste column in de TABA-treffer.´ Ik pak nog een biertje uit het krat en bedenk me dat dit wel eens de laatste competitiewedstrijd zou kunnen zijn geweest die ik gespeeld heb. En dat was niet erg best. De eerste de beste bal die ik raakte legde ik panklaar neer voor de gretige spits van Zeeburgia. Ook daarna deed ik een werkelijk alles fout. Al mijn passjes waren te kort, te zacht en te onzuiver. Ik durfde me daardoor ook niet meer aan te bieden. De rest van het team hield ondertussen manmoedig stand, althans tot de laatste tien minuten. En ik liep daar een beetje verdwaasd rond op dat afgeragde veld 2, net alsof ik al afscheid had genomen van dat hele voetbalgebeuren.

Ik word uit mijn mijmeringen gestoord door Anton. ´Hé Corazón, zit je te broeden op je afscheidscolumn? Deel dat wedstrijdformulier eens uit, man, het krat is leeg.’ Langzaam sta ik op en overdenk mijn woorden. Nee, aan mezelf kan ik hem niet met goed fatsoen uitreiken. Hoewel de gelegenheid gepast is. Maar er komt nog een toernooi. Het Ossie Fawaka toernooi. Een belangrijk moment elk jaar. En daar ga ik de sterren van de hemel spelen. Ik ga er voor trainen. En in Spanje? Voetballen natuurlijk! Met krachtige stem verkondig ik: ´Heren, het is weer tijd voor het moment waarvoor mensen naar de voetbalvelden komen! De uitreiking van het wedstrijdformulier!’ De jongens van Zeeburgia kijken even op omdat ze denken dat de woorden voor hen bestemd zijn. Daarna gaan zij weer verder met hun kleine feestje, terwijl ik de namen noem van de spelers die dit keer genomineerd zijn.


Nummer 214
Nu al nostalgie

De Tuinstraat

Dit wordt de laatste keer. Ik daal de trap af, mijn voetspullen in het rugzakje op mijn rug. De trainingsschoenen al aan, dat scheelt weer slepen. Fiets van het slot en richting Prinsengracht. En dan de mooie route. Alles moet zijn zoals het meestal was. Nog eenmaal.

De Prinsengracht

Hoe lang heb ik nou bij TABA gespeeld? Zo’n 23 jaar, denk ik. En ik heb me er prima vermaakt. Veel interessante mensen ontmoet. Vrienden gemaakt. En vooral oude vriendschappen bestendigd. Door dat vanzelfsprekende samenzijn. Elke zaterdag. En op dinsdagavond deden we dat vaak nog eens dunnetje over. Hoe zei Richard dat ook alweer in dat prachtige gedicht van hem, dat hij ‘s nachts had geschreven na ons laatste teametentje?‘And we prefer to meet, time and time anew, like the bread we eat, ever the same slices, but always fresh.

De Weesperzijde

Ach ja, dat laatste etentje. Een geweldige traditie. Het hele team bij elkaar om het eind van het seizoen en het begin van de zomer te vieren. En zelden ging de bal zo gemakkelijk rond als op die avond. Want wat hadden de jongens bedacht? In verband met mijn vertrek naar Spanje zette iedereen omstebeurt zijn handtekening op een bal en vertelde daarbij iets over zijn persoonlijke relatie met mij. Het was schitterend. De bal ging van hand tot hand en dan kwam er weer een compliment, een anecdote of een wijze raadgeving. Eén grote blijk van genegenheid. Van vriendschap. Van liefde zelfs. Tranen welden in mijn ogen. Ik zal het team missen.

De dijk langs de Weespertrekvaart

Witte ganzen op het fietspad. Met een wijde boog er omheen. Soms pikt zo’n gans opeens naar je wiel. Daar moet je toch niet aan denken. Dat zijn kop tussen je spaken komt. Wat is het hier trouwens mooi in dit jaargetijde. Al die bloemenpracht langs de dijk. De futen met jongen in het water. Langzaam rijden nu. Kijken. En volop genieten. Het paadje achter de kantine langs. Hier zijn de kleuren veel donkerder. Sombergroene vegetatie. Schaduw van de bomen. Het zwarte water van de sloot. Waar we zo vaak een bal uit hebben moeten vissen. En daar de achterkant van de kleedkamers. Daar heb ik me dus 23 jaar lang zo’n 25 keer per jaar omgekleed. Ruwe schatting. Dat is dan in totaal, eh, 575 keer. Klinkt toch minder astronomisch dan ik gedacht had. Wel een mooi getal, overigens. En je kunt het eventueel met twee vermenigvuldigen. Voor en na de wedstrijd, immers.

Het fietsenrek van TABA

Hé, ik ben er al. Diepe gedachten maken reizen kort. Ik ben benieuwd wie er allemaal zijn, vandaag. Het wordt een avond vol afscheid. De laatste training. Voorlopig althans.

Rolando de Corazón

189
189