15apr2009
 

Voetbal & Seks

#212 – april 2009

“Corazón, ben jij nu altijd al zo tegen roken geweest?” vraagt Werner met een grijnslachje. Even kijk ik hem weifelend aan. Ik sta met mijn jas aan op het punt de kantine te verlaten. En discussies over het roken plegen langdurig en taai te zijn. Zelfs met een niet-roker als Werner. Die is anarchist. Zojuist heb ik heerlijk getraind. Met de zaterdagveteranen. Zoals wel vaker de laatste tijd. Onderweg van het werk naar huis kom ik toch langs TABA. En wat blijkt dan? Ik draai conditioneel nog best aardig mee! Velen van hen roken. En dat doen ze bij voorkeur in de kantine.

Elke keer als ik voor de training de kantine binnenkom moet ik iets roepen in de trant van: “Heren, heren, het roken is hier verboden, dat is toch genoegzaam bekend?” Lachend begeven de vets zich dan naar buiten, of, als het daar al te guur is, naar de ruimte achter de keuken. Het gaat gemoedelijk. Zoals het hoort bij TABA. Toch is het vermoeiend. Elke keer weer. De verantwoordelijkheid van mijn bestuursfunctie rust zwaar op mijn schouders. Maar dat duurt niet lang meer. Tot het einde van dit seizoen. Maar om die paar maanden nou te slijten als antirookmagiër, nou, liever niet. Nog steeds weifel ik hoe Werner te antwoorden. Zal ik me verschuilen achter de wet? De niet milde boetes? De uitspraken van de algemene ledenvergadering? Dat zal zeker minder tijd in beslag nemen. Maar ik besluit de confrontatie aan te gaan.

“De maatregel is er om werknemers te beschermen, Werner,” antwoord ik, “dus eigenlijk voor jou.” “Maar ik vind het betuttelend,” zegt Werner, “van mij hoeft het niet.” “Het gaat ook niet om jou persoonlijk, maar om wie er ook maar staat. Jouw eventuele opvolger heeft ook recht op een rookvrije werkplek.” “Er wordt al honderden jaren gerookt in cafés, het hoort bij de traditie!” zo mengt een zaterdagveteraan zich in de discussie. “Dat waren slavernij en kinderarbeid ook,” antwoord ik kortaf. “Maar er zijn zoveel beroepen met risico’s,” gaat Werner onverdroten voort, “neem een verkeersagent die in de uitlaatgassen staat.” Ik besef dat ik hier nog lang niet weg ben. “Het verkeer stilleggen is niet gemakkelijk, maar het is wel heel simpel om even buiten te gaan roken. Da’s een moeite van niks. En laten we wel zijn, het is best fijn als er niet gerookt wordt.”

Werner laat niet los. “Als er zo’n behoefte is aan rookvrije café’s, dan begrijp ik niet waarom die er nooit gekomen zijn. Daar zou dan toch een markt voor geweest moeten zijn?” “Dat komt omdat rokers, vanwege hun verslaving, niet flexibel zijn. Niet-rokers zijn dat over het algemeen wel. Nogmaals, het probleem is heel simpel op te lossen. Gewoon even naar buiten. Da’s nog gezellig ook.”

“Nou, bij dat laatste vrijwilligersfeest heb ik anders heel veel mensen horen klagen over het feit dat ze buiten moesten roken. Dat vonden ze helemaal niet gezellig.” “En ik blijf het een vreemde gewoonte om als je ergens binnenkomt gelijk iets in de fik te steken en rook om je heen te blazen. Maar nu ga ik weg, hoor. Mensen, tot volgende week!” En voordat Werner nieuwe tegenargumenten te berde kan brengen ga ik naar buiten, haal mijn fiets van het slot en zwaai nog eenmaal joviaal naar de veteranen die rond een tafel aan hun flesjes bier zitten. Straks gaan ze vast roken. Of niet? Nog eenmaal overdenk ik de laatste woorden van Werner.

Ik dacht tijdens het feest echt dat de rokers het buiten erg gezellig met elkaar hadden. Maar nee, ze voelden ze zich niet meer welkom; ze voelden zich buitengesloten. En daarmee identificeerden ze zich volkomen met hun sigaret. Maar volgens mij gaan de rokers echt het pleit verliezen. Want wat bleek nu ook weer tijdens het vrijwilligersfeest? Het is gewoon best lekker als er binnen niet gerookt wordt.

Rolando de Corazón

131
131