20feb2008
 

Voetbal & Seks

#202 – februari 2008

Overal op de muren en ramen staan tekeningen van Kuifje. En ook van Bobbie, Kapitein Haddock, Professor Zonnebloem, Jansen en Janssen en van mijn favoriete figuur uit de kuifjesboeken: Bianca Castafiore, de operazangeres. Dit is een prima plek om af te spreken. Genoeg om naar te kijken. En ze zetten een heerlijk bakkie koffie. Hoewel, spreek je eigenlijk wel van koffie zetten als er een espressoapparaat wordt gebruikt? Af en toe lees ik wat in El País. Toch wel één van de beste kranten van Europa. Of in elk geval van Spanje en Nederland, want van kranten uit de overige landen weet ik eerlijk gezegd weinig tot niets. Al deze diepzinnige overpeinzingen worden verstoord als twee handen zich voor mijn ogen vouwen. Beïnvloed door de vele striptekeningen om me heen herhaal ik een grap van Guus Flater uit mijn jeugd. “Juud? Els? Monica? Simone? Astrid?” raad ik. “Es humor holandés,” hoor ik haar uitleggen. Ik draai me op en begroet haar.

Dan stelt ze me voor aan haar collega, een dertiger met een kaal hoofd en een brilletje. Ik voel me opgelucht. Geen fanaat, zo te zien. Iemand die het voetballen er gewoon bij doet, voor de lol en een beetje voor de conditie. Net als ik. “En, ben je een goede speler?”, vraagt hij. “Nou, ik ben geen Van Nistelrooij”, leg ik uit. Begrijpend knikkend roert hij zijn koffie. “En op welke positie speel je?” “Meestal op het middenveld.” “Aha, een spelverdeler, zoals Esneijder.” Zoals zoveel Spanjaarden kan hij onmogelijk een woord met een es en nog een medeklinker beginnen.

“Ik ben eigenlijk meer een waterdrager; ik maak veel meters op het middenveld; een beetje zoals Bakero vroeger bij Barcelona.” Met deze laatste opmerking hoop ik mijn kennis van het Spaanse voetbal te etaleren. En het werkt. “Misschien heb ik nu wel een nieuw Nederlands talent ontdekt”, zegt hij lachend. “En bij welke club in Nederland speel je eigenlijk?” “Die beroemde club uit Amsterdam met twee A´s in de naam”, antwoord ik, dit keer schatplichtig aan de gebroeders Noorman, eigenlijk ook twee stripfiguren. “Ajax?” “Nee, TABA.” Even kijkt hij me peinzend aan. Dan vervolgt hij: “Nou, je kan bij ons komen voetballen, hoor, we spelen meestal op de zondagmiddag. Je moet natuurlijk wel lid worden van onze club Ponferradiña.”

Ik kijk weifelend naar Ana. Die zit trots de conversatie te volgen. Dat heeft ze toch maar mooi voor mekaar gebracht, deze ontmoeting. “Ik dacht eigenlijk dat jullie gewoon in een park voetbalden, een partijtje van vrienden onderling”, zeg ik. “Nee hoor, het is de officiële competitie.” “Maar ik ben hier maar een paar keer per jaar, soms wat langer, maar dat is in de zomer als de competitie stil ligt.” De conversatie valt stil. Dan vraagt hij: “Is het nu echt waar dat je in Amsterdam in de coffeeshops gewoon drugs kunt kopen?”

Even later zitten Ana en ik samen aan een tweede bakje koffie. “Jammer, hè”, zegt ze, “het had zo leuk geweest als je hier ook zou kunnen voetballen.” “Voetballen doe ik wel in Amsterdam; hier ga ik lekker in de bergen lopen.” “Da’s ook heel gezond, maar nu moet ik weer aan het werk. Tot vanmiddag.” We zoenen. Dan trekt ze haar jas aan en loopt naar buiten. Voor het raam zwaait ze nog even en verdwijnt achter een tekening van Jansen en Janssen die als groet hun bolhoeden lichten. Ik pak een landkaart en probeer te bepalen of ik deze morgen nog naar Toral de Merayo kan wandelen.

Rolando de Corazón

98