15dec2007
 

Voetbal & Seks

#185 – december 2007

Als ik wat verlaat de kantine van Fortius binnenkom zie ik tot mijn schrik slechts drie spelers van TABA aan een tafel zitten: de grieperige Anton en de jonge honden Danny en Ricardo. Even kijk ik op de grote klok die boven de bar hangt. Nog een kwartier te gaan voor de aftrap. Nou, dat belooft wat. Maar goed, ik sta de eerste helft in elk geval wel in de basis.

Onze tegenstanders blijken oude bekenden te zijn. Een team van Sint Louis. Toen die club opgeheven is heeft er een ware diaspora van Sint-Louis-teams plaatsgevonden en kom je ze overal tegen. Bij VVGA, TABA en dus ook bij Fortius. Hun aanvoerder komt me lachend tegemoet. We schudden elkaar de hand. We kennen elkaar al minimaal 15 jaar uit diverse toernooien en competitiewedstrijden. “Nou, we zijn helemaal klaar voor deze belangrijke wedstrijd uit de degradatiezone,” zegt hij enthousiast. Degradatiezone? Is het alweer zo laat? Mismoedig kijk ik naar de tabaspelers die rustig een kopje koffie drinken. Het aantal is uitgebreid tot acht. Tijd om naar de kleedkamer te gaan.

Als we na enig zoeken kleedkamer 2 gevonden hebben, treffen we onze keeper Frank zenuwachtig trappelend voor de gesloten deur aan. “Waar blijven jullie nou?” roept hij. Als we ons even later aan het omkleden zijn zeg ik: “Frank, je stond weer goed te spelen afgelopen dinsdag bij de training; wordt het niet tijd voor een comeback als gemakkelijk scorende, technisch begaafde spits?” Frank wijst op de hamstring van zijn rechterbeen. “Het schoot er toch weer in,” zegt hij. Want het mag gezegd worden: onze beste veldspeler staat op doel. Niemand is blijer dan Frank met de regel dat terugspeelballen niet meer door de keeper met de handen mogen worden aangeraakt. Frank kapt dan de woest aanstormende spitsen op zijn dooie gemak uit. En de schrik slaat ons om het hart. Eerst omdat we bang zijn voor balverlies, maar vervolgens omdat we de afgang vrezen dat hij al kappend uiteindelijk het veld oversteekt en een schitterend doelpunt maakt. Iets dat ons al ploeterend zelden lukt. De wedstrijd zit er bijna op. Frank ligt op de grond terwijl de spelers van Fortius elkaar in de armen vallen om het zojuist gescoorde winnende doelpunt te vieren. Gelukkig beschikken wij bij TABA 3 over een relativerende humor die menigmaal een wanhopige medespeler uit de put heeft geholpen. Terwijl we teruglopen naar de kleedkamer zegt Anton: “Hij riep ook niet ‘los!’; hij riep ‘Jos!'” Waarop Richard meldt: “We all make mistakes, let’s be frank.” En ik zeg: “Frank heeft ook altijd pech, daarom noemen we hem ook wel Anne Frank.” Ik voel de verontwaardigde ogen van de jonge Bastiaan in mijn nek branden en verbeter mezelf: “Ja, arme Frank, dus.” Pas in de kleedkamer zijn we bereid toe te geven dat Fortius eigenlijk wel beter had gespeeld, en dat Frankie tot driemaal toe ons in de wedstrijd had gehouden met goede reddingen.

Later die middag drink ik nog een pilsje in de TABA-kantine. “Hé Colofon, heeft mijn broertje vandaag nog bij jullie gekeept?” vraagt Aadje. Even twijfel ik. Dan doe ik verlekkerd mijn verhaal.

Rolando de Corazón

133