05jul2007
 

Aad en Arthur in broederlijke omarming achter het schilderij

Het Parool, 5 september 2007

Elke club heeft ze. Prominent boven de bar of in de bestuurskamer. Verscholen in een hoekje van de kantine, of achter de struiken rond veld twee. Pronkstukken.
Ze vormen de schatkamer van het amateurvoetbal.

Vandaag: het schilderij bij AFC Taba.

Aad en Arthur in broederlijke omarming achter het schilderij

Links van de kantinedeur van Taba hangt een A4-tje: ‘Dit weekeinde helaas geen warme douches. Excuses.’ “Daar wordt aan gewerkt,” zegt Arthur de Ruiter, begeleider van de zaterdag 1. “Ja, daar wordt al tien jaar aan gewerkt,” voegt oud-voorzitter Aad Verkaaik eraan toe. Doorleefd, zo zou je de kleine Taba-kantine kunnen noemen. “Een morsige bende,” zegt Verkaaik.

Het schilderij, rechts van de bar, valt meteen op. Het is kleurrijk, de drie koppen zijn sprekend. Met koffie in de hand loopt Verkaaik er naartoe. “Kijk, hier rechts staat mijn moeder, tante Janny, nu 45 jaar lid. En dit zijn ome Harry en tante Greet Riemersma. Die drie bepaalden hier decennia lang de sfeer. Maar ome Harry sprak het meest tot de verbeelding.”

Die sfeer was nogal losjes bij Taba, dat in 1933 werd opgericht door tabaksimporteurs. Ze mochten de club geen Tabak noemen – dat was reclame volgens de overheid – dus lieten ze de ‘k’ er maar af. Het tabaksblad kwam wel in het logo, bij gelegenheid wel eens vervangen door een wietblad. Verkaaik, al veertig jaar lid, was voorzitter tot 2000. “Alles kon bij ons. Meneer-kan-niet en meneer-mag-niet liepen hier niet rond. Als er één club was die het predikaat anarchistisch verdiende, waren wij het. Taba staat eigenlijk voor: Tegen Alles Behalve Alcohol. Hoewel, we waren de eerste club waar jointjes officieel gedoogd werden.

Het schilderij is uit eerbetoon gemaakt door Hans Gritter, een kunstenaar van Ruigoord die schaakte bij Taba, een tak van de vereniging die overigens luistert naar de naam ‘Grasmat’.

Ome Harry was havenarbeider, en in 1937 bij Taba begonnen als keeper. Verkaaik: “Tot zijn zestigste stond hij onder de lat, tot zijn negentigste liep die ouwe hier nog rond. “Harry overleed zo’n vijf jaar geleden, zijn vrouw leeft nog. Tegen het einde ‘viel hij af en toe om’. Dan schrok iedereen zich rot. Maar tante Greet niet. Ik weet nog goed dat zij een keer over hem heen stapte, terwijl hij languit achter de bar lag, en iemand doodleuk vroeg wat hij wilde drinken.”

In de jaren zeventig en tachtig was het bij Taba een vrolijke janboel. “Veel feesten, veel drank, veel dope,” zegt Verkaaik met glimoogjes. “Dan sliepen er mensen in de kantine, stonden er tentjes op het veld. Kon er de volgende dag niet gevoetbald worden.”

Hij weet nog dat Armand kwam optreden. “Die deed z’n twee nummers. Meer had-ie niet. Daarna verdween hij in de keuken met een meisje van twintig. Kwam hij terug, deed-ie die twee nummers nog een keer. Hij werd weggehoond. Kostte ons vijfhonderd gulden!”

Ome Harry kon zich goed vinden in die sfeer. Sterker nog: Harry stal de show op feestavonden met zijn Al Johnson-imitaties.” Buitengewoon hilarisch,” zegt Verkaaik. “Die man had zoveel in zijn mars.”

Ome Harry haalde tot zijn tachtigste met een laddertje de ballen van het dak en liep bij wedstrijden mopperend om het veld. En bezigde daarbij met regelmaat zijn favoriete uitspraak: ‘Wat moet je nou, stofzuigerzák?’

“Het echtpaar Harry en Greet liep altijd te kibbelen,” zegt De Ruiter. “Echte mopperaars. Ik hoorde ze ‘s nachts een keer weggaan. Greet zei: ‘Harry, wat jij nou eens een keer moet leren is tact’, waarop Harry reageerde: ‘En daarvoor moet ik zeker bij jou zijn?'”

Mede dankzij ome Harry werd Taba een ontmoetingsplek. “Het sociale heeft hier al tijd voorop gestaan. Mensen weten wat er bij je speelt. Arthur heeft zijn vrouw verloren. Ik kwam hier rond mijn scheiding vaak. Ons hart ligt hier.”

544