07mrt2007
 

Voetbal & Seks

#189 – maart 2007

Ik word door de verpleegster wakker gemaakt. “Meneer De Corazón, goedenacht, ik heet Sylvia, ik heb nachtdienst, ik geloof dat uw moeder zojuist is overleden.” Meteen besef ik waar ik ben. Op een matrasje op de vloer van zorgcentrum De Overloop. Diverse keren die nacht ben ik al wakker geworden om na het horen van de ademhaling van mijn moeder weer in te slapen. Langzaam sta ik op. Ik volg de zuster naar de slaapkamer. Daar ligt ze dan. Ik voel haar voorhoofd. Koud. “Dag mamsie” zeg ik zacht tegen haar. Had ik voor het slapen gaan ook al gezegd. Had toen net zo weinig zin. Even later komt de dokter binnen. Ze onderzoekt kort het koude lichaam van mijn moeder, bladert in het dossier en begint een formulier in te vullen. “Waar is uw moeder geboren?” vraagt ze. Ik denk na. Ik weet het eigenlijk niet. Mijn opa en oma voeren op een schip. Kan dus overal in Nederland geweest zijn. Ik begin dit stamelend uit te leggen. “Rotterdam!” zegt de verpleegster, “ik heb dat gelezen op haar intake-formulier.” “Een echte schippersstad,” zegt de dokter. “En hoelang was zij al ziek?” vraagt ze verder. Tja. Wanneer begon het? Drie jaar geleden was ze gevallen. Toen ging ze enorm snel achteruit. Met behulp van de thuiszorg kon ze nog wel zelfstandig in haar huis blijven wonen. En ze kwam er weer bovenop. Tot een paar weken geleden. Naar het ziekenhuis met een soort van longontsteking. Bleek kwaadaardig. Er was niets meer aan te doen. Daarvoor was ze al te zwak. Het slechtnieuws-gesprek kreeg toen nog een onbedoeld komisch einde. “Heeft u het een beetje begrepen, mevrouw, heeft u nog vragen?” vroeg de vrouwelijke dokter met een jeugdige uitstraling. “Ja, wanneer komt de dokter nu eindelijk?” had mijn moeder toen gevraagd.

“Ze heeft zes weken in het ziekenhuis gelegen,” antwoord ik. Ik zie haar er weer liggen. Elke dag ging het wat slechter. “Een nachtkaarsje dat langzaam uitgaat,” zo beschreef een verpleegster haar toestand. Samen met Ana, overgekomen uit Spanje, was ik bij haar op visite gegaan. Mijn moeder vond het zichtbaar leuk ons samen te zien. Moeizaam vertaalde ik alles wat er tussen de twee vrouwen gezegd werd. Ze hielden elkaars hand vast. Toen we samen de kamer verlieten om naar huis te gaan, zwaaiden we nog eenmaal naar mijn moeder. Langzaam bracht mijn moeder haar hand boven de dekens. Ze zwaaide. Ze glimlachte. Een moment om te onthouden. Ik sta op het dak van ons vroegere huis in de Jacob van Arteveldestraat en heb een enorme kankercel in mijn handen. Het bestaat uit twee rubberen ballen die met slijmerige draden aan elkaar vast zitten. Ik trek de draden stuk en gooi één bal in de stadstuin aan de ene kant van het huis en één naar de straatkant van het huis. Daar zie ik dat spelende kinderen de stuiterende bal oppakken. “Neem me mee naar de tuin,” zegt de bal tegen hen. Ik wil een waarschuwing roepen. En word wakker. Toch nog geslapen. Hoe laat is het? Zeven uur. Ik pak mijn mobiel. Eerst Ana bellen. Dan mijn broers. Dit wordt een vreemde dag. Het leven zal nooit meer hetzelfde zijn.

Rolando de Corazón

104