01feb2007
 

Voetbal & Seks

#187 – februari 2007

De trein stopt. Langzaam draaien de deuren open. “Almere Centrum” staat er op een bord te lezen. Een roltrap brengt me van het perron naar de stationshal. Een bloemenzaak. Een AKO-boekenzaak. Hangende jongeren rond de twee snackbars bij de uitgang.

Ik loop door de winkelstraat. In het midden liggen de tegels er uit. Er wordt gewerkt aan de bekabeling. Lusteloos kijk ik in de etalages van de winkels. C&A, H&M, Dönner Kebab, Intertoys, Kruidvat. Het had elke stad in Nederland kunnen zijn.

Aan het eind van de winkelstraat is een groot plein. Daar is vandaag markt. Even overweeg ik een haring mee te nemen. Toch maar niet. Heeft geen zin. Eet ze toch niet op.

De voettocht gaat verder langs het stadshuis. Overal wordt gebouwd. Ik steek de vrije busbaan over, en loop naar de schuifdeur die automatisch voor mij opengaat. Ook hier stap ik een verbouwing binnen. Een extra ring rond het ziekenhuis zijn ze aan het maken. De capaciteit wordt uitgebreid. Omdat Almere nog steeds groeit.

Ik loop door een grote hal. Er is daar een binnenterras bij het standje waar hapjes en drankjes verkocht worden. Iemand speelt op de piano die daar altijd staat. Het geluid klinkt hol en vol echo’s.

Langzaam loop ik de trap op naar de eerste verdieping. Een schuifdeur opent zich. Deze afdeling is het. Ik loop de kamer in en daar ligt ze. Mijn moeder. Haar armen bont en blauw van de bloeduitstortingen. Het gevolg van het infuus in combinatie met bloedverdunners. Ze heeft een apparaatje in haar neus waar continu frisse lucht uitkomt. Ze slaapt.

Ik leg mijn jas over haar rollator en pak een stoel die ik naast haar bed schuif. “Oh, ben je er al?” vraagt ze moeizaam. “Ja, hoe gaat het?” Ze vertelt over de onderzoeken die ze gedaan hebben. En hoe moe ze daar wel niet van werd. Heel duidelijk is haar verhaal niet. Ik vraag of ze wat gegeten heeft. “Niet veel,” antwoordt ze. Ze is buiten adem. Af en toe gaan haar ogen dicht. Moet ze even rusten. Als ze wat langer haar ogen dicht heeft pak ik mijn boek en ga lezen.

Ze wordt weer wakker. “Ben je er nog?” “Ja, maar ik ga er zo vandoor.” “Doe maar.” Morgen ben ik er niet, hoor, dan komen je andere zonen; ik ga voetballen.” Ze kijkt me bezorgd aan. Dan zegt ze streng: “Wees toch eens een keer voorzichtig, jij.”

Rolando de Corazón

98