01sep2005
 

Voetbal & Seks

#160 – september 2005

Dit is zwaar. Hoe lang ben ik nu al aan het klimmen? Meer dan een uur. Dan moet ik over de helft zijn. Of ik loop zwaar achter op mijn schema. Welk schema? Nergens op gebaseerd. Geen ervaring hiermee.

Krachten verdelen. Dan ga je langer mee. Daar gaat de eerste me al voorbij. Het nadeel van als eerste starten. Nee sufferd, niet dat wiel pakken. Dit is geen gevecht van man tegen man. Dit is een strijd tegen de tijd. De tijd die langzaam maar onverbiddelijk verstrijkt. Hou je eigen tempo.

Nog steeds in het bos. Straks moet toch dat kale stuk komen? Daar waar de elementen vrij spel hebben. Zal me wat worden. Hitte. Hier in de schaduw al. Een vrouwenstem naast me. “Gaat best goed, hoor, volhouden maar.” En ze passeert me moeiteloos. Zoals zovelen.

Het bos houdt op. Daar is de finish in zicht. Daar wachten drankjes, bananen en juichende mensen. Een heroïsche aankomst. Hoeveel bochten nog? Stuk of wat. Maar nu zullen die duursporters eens wat gaan meemaken. Met hun gelijkmatigheid. De kracht van een voetballer. De versnelling. Nee, niet dat ingewikkelde apparaat aan het stuur. Puur op eigen kracht. Zoals ook tijdens de wedstrijd zo vaak nodig is. Nog heel even aanzetten voor die verdedigende actie. Nog één keer diep gaan om dat doelpunt te forceren. Bij de volgende bocht. Dan een eindsprint inzetten.

Misschien nog even een bochtje wachten. Is verder dan het lijkt. Het is al heel wat om gewoon aan te komen. Zonder voetje aan de grond. Dat wordt het streven. Flexibiliteit. Ken je eigen kracht. Ook belangrijk.

Bijna daar. Het roodharige meisje komt naast me lopen. “Ga zo door, je gaat het halen.” Ze wandelt. “Ik had me de man met de hamer heel anders voorgesteld,” wil ik zeggen. Maar de strot is te droog. En moet bijna braken. De laatste meters zijn extra steil.

Langzaam dringt het tot me door. Ik ben er. Een jasje wordt om me heen geslagen. Ik krijg een banaan aangereikt. Nog even wachten. Op krachten komen. En dan mijn ingestudeerde grap maken. “Nou, die Mont Ventoux valt erg mee; dat daar zo’n een hoop koude drukte om wordt gemaakt.”

Rolando de Corazón

76