02dec2004
 

Behalve dat ik met de fiets ging, was zaterdag de 27ste november niet anders dan anders. Het eerste elftal had met 3-4 verloren. De spelers van het 2e hadden natuurlijk weer geen bardienst geregeld. En later op de dag gingen de voornemens de ronde om ergens een hapje te gaan eten. Milton vertrok als laatste (op mij na dan). Hoewel ik op de fiets was gekomen met de bedoeling om nog even naar Melody Line te gaan, zag ik al op de klok dat dat niet meer zinvol was. De band die ik wilde bezoeken was bezig met opnames en zou daar om 9 uur mee stoppen. Niet de moeite meer.

Half 9. Nadat de vaste schoonmaakwerkzaamheden verricht waren restte me enkel nog het opmaken van de kas. Ik was in het voorraadhok toen ik de buitendeur open hoorde gaan. Verrassend, want gewoonlijk komt er om deze tijd niemand meer. Ik zag 2 mannen op me afrennen. Hun gezichten waren bedekt en ze droegen handschoenen met daarin een mes. De kleinste liep voorop en schreeuwde dat ik op de grond moest gaan liggen. Ik keek hem stomverbaasd aan, maar toen hij zijn eis herhaalde deed ik het maar. Op mijn buik. Vanaf hier ging het heel snel. De kleine bleef mij bewaken, terwijl de andere het geld ophaalde. Al de tijd hield hij zijn mes tegen mijn gezicht. Maar blijkbaar was het geld in kas niet genoeg, want hij bleef schreeuwen om meer. Ik hoopte de wisselkas nog voor ze verborgen te houden, maar enkele schoppen tegen mijn rug en hoofd boden voldoende motivatie om me van gedachten te doen veranderen. De volgorde weet ik niet precies meer, maar ik heb ze uiteindelijk ook mijn eigen portemonnee gegeven. In ruil voor enkele messteken uiteraard. Tenslotte vroegen ze mijn sleutels, deden het voorraadhok netjes op slot en vertrokken.

Het was tijd om de balans op te maken. Hoe stond ik ervoor? Ik had niet de indruk dat ik ernstig gewond was, maar ik was wel duizelig, had koppijn en de rechterkant van mijn hoofd, en vooral mijn linker broekspijp waren nat van het bloed. Het laat zich raden dat ik snel weg wilde. Een losse koperen buis leek ideaal om een ruit mee in te tikken. Dat lukte gedeeltelijk. Het was een dubbele ruit, en hoe ik ook mijn best deed, de buitenste gaf geen krimp. Nooit geweten dat onbreekbaar glas zo onbreekbaar was. Ik zuchtte en voor het eerst in mijn leven vond ik het spijtig dat ik geen mobieltje had.

En nu? De tweede ontsnappingspoging was heel wat minder gewelddadig. Tot mijn vreugde ontdekte ik namelijk het alarm en dat werkte nog eens ook! Ik hoefde enkel maar op een knopje te drukken. Nu woon ik al lang genoeg in Amsterdam om te weten dat van een alarm weinig alarmerende werking meer uitgaat, maar daarentegen wel veel irritatie opwekt. Kwestie van volhouden dus. Minutenlang hield ik hem ingedrukt. Geen reactie. Ik hield vol en onderbrak het af en toe zodat mijn toehoorders er niet aan zouden wennen. Tot tweemaal toe zond ik een SOS in morse. Lang indrukken, kort indrukken, maar wat ik ook probeerde, niets kon het lieftallige Amsteldorp in beweging krijgen. Na een kwartier gaf ik het op. Ik stelde mijn mensbeeld bij, en ging op zoek naar een derde uitweg.

Het deurslot forceren dan maar. Er was gereedschap aanwezig, maar het zou wel een tijdrovende bezigheid zijn. Met een schroevendraaier lukte het me om het hout bij het slot weg te slopen, en een klein half uurtje later kon de deur eindelijk open. Vrij!

In de spiegel van de kantine bekeek ik mijn gezicht. Geen prettig gezicht, maar ik wist dat een hoofdwond er meestal erger uit ziet dan hij is. Eerst belde ik Anke, die woont dichtbij en weet altijd precies wat er moet gebeuren. Niet thuis. Frank was de tweede die ik belde, maar zou die niet ergens een hapje gaan eten? Ja dus. De derde was Rudi. Die weet een boel en woont heel dichtbij. Maar… als ie thuis zou zijn, waarom had ie dan niet op het alarm gereageerd? ‘Hallo’ ‘Hoi, met Werner. Is je vader thuis?’ ‘Nee’ ‘Ok, jammer. Bedankt’ ‘Ben je nog bij Taba?’ ‘Ja’ Het was op dit moment dat hij de legendarische woorden sprak: ‘Oh. Want net ging de hele tijd het alarm af.’ Zucht…

Het was duidelijk tijd om 112 te bellen. Ze vroegen of ik een politie of ambulance nodig had. Ik zei dat een ambulance niet nodig was, maar toen ze hoorde wat er gebeurd was stuurden ze er toch een. Buiten onder een bankje vond ik, tot mijn vreugde, de sleutelbos terug. Omdat de heren toch handschoenen droegen stopte ik hem maar in mijn zak. Even later kwam het hele circus op gang. Politie, ambulance. Na wat eerste hulp werd ik naar het OLVG gereden, terwijl buiten het hek AT5 stond te filmen. In het ziekenhuis werd ik nog verder behandeld, maar omdat ik een hekel heb aan naalden, weigerde ik pertinent een tetanusspuit. Ik ging hier pas mee akkoord nadat een van de artsen me met de dood had bedreigd. Tussendoor belde ik nog met mijn moeder en met Stef, die de volgende dag de kantine zou openen. Geschrokken reacties. Logisch natuurlijk. Na het urine-onderzoek mocht ik dan eindelijk weg.

1 Uur ‘s nachts. Twee agenten reden me terug naar Taba, omdat daar mijn fiets nog stond. Ik vroeg ze of ik alles mocht opruimen, in verband met het onderzoek, en ze antwoordden dat ik mocht doen wat ik wilde. Zodra ik het hek geopend had vertrokken ze. Ik ging terug naar het voorraadhok en poetste, behalve op de grond, het bloed weg. Daarna ging ik naar de bar, met de ambitie om nog wat verdere opruimwerkzaamheden te verrichten, maar ik voelde me er helemaal niet prettig meer. “Wat doe ik hier eigenlijk? Ik lijk wel gek!”, dacht ik nog. Ik schreef een briefje voor Stef en vertrok.

Werner

(De naam Rudi is gefingeerd)

139
139